*

 
dossier

Archief

Lena Rothstein wil geen kopie van oud-Sefardisch lied vertolken

ANNE-MARIE PETERS − 28/11/97, 00:00

AMSTERDAM - In een mengeling van Engels, Duits en hier en daar een woord Frans of Jiddisch verhaalt Lena Rothstein luchtig over haar voorliefde voor Sefardisch-joodse muziek. Net als de Sefardische joden kwam zij in aanraking met vele verschillende culturen en ontwikkelde zo een eigen stijl samen met haar band S.P.H.A.R.A.D.I.M.. Niet alleen het palet van haar repertoire Sefardische liederen is bont gekleurd, ook haar band is opzettelijk multicultureel samengesteld. Komend weekend vertolkt het ensemble hun Sefardische liederen tijdens het Joods Muziekfestival.

In de vijftiende eeuw ontvluchtten de Sefardische joden Spanje en namen hun muziek mee naar Turkije en andere kuststreken rond de Middellandse Zee. Later waaierde de gemeenschap uit over alle uithoeken van de wereld. Spaanse melodieën, oriëntaalse ritmen en Westerse toonsoorten als majeur en mineur zijn in de Sefardische muziek tot een eenheid gesmeed.

Maar de ontwikkeling van deze muziek staat voor Rothstein niet stil. “Ik wil geen kopie maken van een oud-Sefardisch lied, maar iets eigens toevoegen. In de loop der jaren heb ik veel Sefardische liederen verzameld. Deze worden vaak door de vrouwen overgeleverd. Zij zingen a capella en begeleiden zichzelf door in hun handen te klappen. De bandleden en ikzelf arrangeren deze liederen en ballades, of componeren nieuwe melodieën bij de oude teksten.”

Sefardische muziek betekent voor Rothstein multiculturele muziek. Om dat aspect verder te ontwikkelen, heeft de zangeres muzikanten uit Turkije, Polen, Oostenrijk, Griekenland en Israël om zich heen verzameld. “De Sefadische muziek kent veel verschillende stijlen en wij gaan daar mee verder. De bandleden beïnvloeden de muziek met hun eigen culturele bagage.”

Rothsteins wortels liggen niet in het Sefardische jodendom. “Maar het staat wel heel dicht bij me. Het on the road zijn, het leven in een moment en elk ogenblik weer kunnen of moeten vertrekken.” Rothstein werd geboren in het Schotse Glasgow als dochter van Weens-joodse emigranten. “Toen ik vier jaar oud was, keerden we weer terug naar Wenen en mijn moeder deed mij op mijn zevende op een Franse school. Ik ben tijdens mijn leven in verschillende talen gerold. Ik leer ze niet, maar voel ze. Het oud-Spaanse Ladino, de taal van de Sefardische joden maakte ik me daarom makkelijk eigen.”

Als kind voelde Rothstein zich Engels, op latere leeftijd Oostenrijks, maar het joods-zijn bleef altijd op de achtergrond. Ze ging naar de Toneelschool in Wenen en werd actrice. “Wij waren thuis ook geen praktiserende joden. Mijn afkomst en het verleden stonden niet centraal, het toneel werd mijn middelpunt. Pas jaren later zong ik voor het eerst een programma met Jiddische liederen. Het voelde als een coming-out. Joods-zijn in Oostenrijk is heel lang heel moeilijk geweest. Men sprak er ook niet over vanwege het verleden. Het Jiddische in mij moest groeien en pas toen ik een jaar of 37 was, kon ik daarmee naar buiten treden.”

Maar het Jiddische repertoire begon Rothstein te beknellen. “Jiddische muziek is traditioneel en daardoor beperkt. Die heeft geen aansluiting op the modern way of life. Ik kon mij er niet in ontwikkelen en wilde daarbij het hele palet van de joodse-muziek gebruiken.” In de Sefardische muziek, die haar werd aangereikt door een Sefardisch joodse gitarist uit Chili, voelde Rothstein zich eindelijk thuis.

Zij zingt nu liederen die verhalen over prinsessen en ridders over liefdes en feestdagen. “Sefadische muziek klinkt minder melancholisch dan Klezmer. Zowel uit de teksten als uit de muziek klinkt hoop, hoop voor de toekomst. Rothstein lacht: “Ach, ik heb vele identiteiten, net als deze muziek. Daarom voel ik me er zo goed bij.”

mailIcon print |