In NRC Handelsblad staat - aanhakend bij de kersttoespraak van de koningin - een interessante discussie over het humanisme. Fons Elders, werkzaam aan de Universiteit voor Humanistiek, meent op basis van deze kersttoespraak in onze vorstin een aanhangster van het “agnostisch-religieus humanisme” te mogen begroeten. Het is Elders namelijk opgevallen dat de koningin “met respect over de verschillende religieuze en culturele tradities rond dood en rouw” spreekt.
De meeste algemeen erkende levensbeschouwelijke tradities werden in die toespraak genoemd: boeddhisme, hindoeïsme, christendom en islam, alleen het humanisme niet. Maar dat is niet erg, vindt Elders. Want het humanisme schuilt in het feit dat men deze tradities met respect bejegent.
Het was een hoogst originele visie, zowel op onze koningin als op het humanisme - dat kan men niet ontkennen. Maar komt het humanisme er zo niet iets te bekaaid af?
G. den Besten meent blijkens een reactie op Elders van wel. De koningin is lid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als men haar levensbeschouwing 'humanistisch' wil noemen, dan is het in ieder geval niet het verlichtings-humanisme dat de moderne tijd heeft bepaald.
Het lijkt mij dat Den Besten een punt maakt. Wat Elders in zijn stukje doet is 'semantisch smokkelen'. Wat hij als kenmerkend voor het humanisme poneert is tolerantie, de scheiding van kerk en staat, het respect voor andere wereldbeschouwingen dan de eigen wereldbeschouwing. Dat is allemaal heel sympathiek, maar specifiek humanistisch is het niet. Elke levensbeschouwing stelt zich tegenwoordig op het standpunt van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (artikel 6 grondwet). Dat principe is van tijd tot tijd door verschillende levensbeschouwelijke tradities verwoord in de Europese cultuurgeschiedenis. Inderdaad, door humanisten in de periode van de renaissance en reformatie. Maar ook door christenen, bijvoorbeeld door de bekeerde keizer Constantijn toen hij in 313 met het Edict van Milaan vrijheid van godsdienst mogelijk maakte.
Ook tegenwoordig zal geen christen, boeddhist, hindoeïst of humanist één staatsgodsdienst willen voorschrijven. Als dus het respect voor ieders levensbeschouwelijke overtuiging hèt merkteken van het humanisme zou zijn, zou het zich daarmee toeleggen op de herhaling van een oorverdovende vanzelfsprekendheid. Het humanisme zou zijn 'opgelost' in de andere levensbeschouwingen en dus geen zelfstandig bestaan meer hebben. Maar is dat zo?
Dat blijkt niet het geval te zijn. Sinds de reformatie en de renaissance heeft het humanisme zich namelijk verder ontwikkeld. In de achttiende, negentiende en twintigste eeuw is - met behoud van tolerantie - iets heel anders naar voren gekomen. Men is toen een vraag gaan stellen die voor het thema van de zingevingsvraagstukken rond leven en dood, waaraan de kerstrede van de koningin gewijd was, hoogst belangwekkend is. Zou het mogelijk zijn om zin aan het leven te geven en een publieke moraal hoog te houden, zonder God? Het humanisme is de enige levensbeschouwing die deze vraag bevestigend beantwoord. Aangezien het hier om een zelfstandige visie op het bestaan gaat, heeft de wetgever in 1983 naast 'godsdienst' ook 'levensovertuiging' als beschermwaardig opgenomen in artikel 6 van de grondwet.
Zo'n goddeloze levensbeschouwing laat respect voor ieders godsdienstige overtuiging natuurlijk onverlet. Ieder moet vooral geloven wat hij wil. Maar kenmerkend voor het humanisme is dat men zich houdt aan het leven van geboorte tot dood, zonder een kijkje over de schutting te nemen naar een hiervoormaals (reïncarnatie) of een hiernamaals.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.