Twee jaar geleden hadden Richard Leakey en de Keniase president, Daniel Arap Moi, allebei pech. Voor Leakey, toentertijd directeur van de Keniase Wildbeschermingsdienst, bestond de pech eruit dat hij neerstortte met zijn Cessna. De pech voor Arap Moi was dat Leakey het ongeluk overleefde.
Was het eigenlijk wel een ongeluk? Leakey zelf heeft nooit beweerd dat er met zijn toestel geknoeid was. Toch drong de twijfel zich bij velen op. In Kenia willen mensen wel eens van hogerhand verongelukt wòrden, met behulp van zware vrachtwagens, die vreemde manoeuvres maken als zij op bergpassen de auto van een lastig politiek kopstuk in het vizier krijgen.
“Geen moment kwam het in mijn hoofd op dat ik het niet zou overleven”, zei Leakey nadat hij inderdaad zijn onzachte landing had overleefd (zij het ten koste van zijn beide benen). Die opmerking tekende zijn tomeloze zelfvertrouwen, lef en vechtlust.
Vorig jaar leek het er toch op dat Leakey (50) moegestreden was. Na eindeloze ruzies en verdachtmakingen nam hij ontslag als directeur van de Wildbeschermingsdienst. Maar begin deze maand zei hij dat hij met een nieuwe politieke partij de strijd wil aanbinden met de even machtige als corrupte regeringspartij van president Moi. “Vele Kenianen geloven dat Richard nu echt vermoord gaat worden”, citeerde de Britse krant The Independent een bezorgd familielid. “Zijn moeder heeft hem dat ook verteld.”
Richards moeder is niemand minder dan de inmiddels hoogbejaarde paleo-antropoloog Mary Leakey, die samen met haar echtgenoot en collega, wijlen Louis Leakey, wereldvermaardheid verwierf. Mary, van huis uit archeologe, ontdekte in 1959 in Tanzania een meer dan 2,5 miljoen jaar oude schedel. Het echtpaar poneerde een gewaagde, inmiddels wijd en zijd aanvaarde stelling: de mens stamt uit Afrika.
Ook zoon Richard, die zich aanvankelijk niet interesseerde voor het vak van zijn ouders, deed in de jaren '60 en '70 opzienbarende fossielvondsten van aan de mens verwante aapachtigen in Ethiopië. Hij publiceerde in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften, en schreef ook enkele boeken over oorsprong en evolutie van de menselijke soort. Deze wetenschappelijke arbeid combineerde hij sinds 1974 met het directeurschap van Kenia's nationale museums.
In 1989 wendde Leakey, op verzoek van president Moi, abrupt de steven van zijn carrière. Hij werd benoemd tot chef van de noodlijdende Wildbeschermingsdienst. Een belangrijke functie, want de wildparken zijn Kenia's voornaamste toeristische trekpleister en de toeristenindustrie is Kenia's belangrijkste bron van harde valuta. Maar de branche werd ernstig bedreigd. Stropers slachtten olifanten en neushoorns, omwille van hun ivoor, af in een tempo dat het ergste deed vrezen.
Moi zag in Leakey een man met voldoende prestige om nieuw leven te blazen in een departement dat zelfs voor Keniase begrippen notoir inefficiënt en corrupt was en dat dreigde droog te vallen doordat internationale donoren het voor gezien hielden. Leakey ging voortvarend te werk: hij ontsloeg al het personeel dat in zijn ogen niet voldeed - en dat waren zeker 1600 man. Verder liet hij stropers genadeloos vervolgen met zware wapens en helikopters. Wie met wapens werd betrapt in enig natuurpark, liep groot risico zonder poespas te worden neergeknald.
Leakey was ook het brein achter een publiek gebaar waarmee president Moi de wereldpers haalde. Voor het oog van de opgetrommelde camera's stak Moi persoonlijk een enorme stapel in beslag genomen ivoor in brand. Binnen twee jaar was Kenia prakisch verlost van stropers. Buitenlandse donoren begonnen weer rijkelijk te storten in de kassen van Leakey's departement.
Het was onvermijdelijk dat de rauwdouwer Leakey vijanden zou krijgen. Eén kabinetslid, zo onthulde Leakey later, wilde een pijplijn door een natuurpark halen. Een ander wilde een mijn beginnen. Weer anderen wilden land confisceren om hun politiek-etnische achterban te plezieren. De parken vormen een vette kluif - zeker sinds Leakey voor zoveel nieuwe inkomsten zorgde. Kabinetsleden begonnen op Leakey af te geven: hij was arrogant (een verwijt waarmee ook zijn politieke medestanders een eind kunnen meegaan), gaf meer om beesten dan om mensen - was kortom een typisch blanke racist.
Begin '94 was Leakey het zat. Hij nam ontslag, liet zich even overhalen om terug te komen, maar vertrok spoedig definitief, omdat hij vond dat president Moi hem te weinig steunde.
Een jaar was het stil rond Leakey. Maar deze maand was hij terug. Geflankeerd door prominente Keniase mensenrechten- en milieu-activisten hekelde hij op een persconferentie de corruptie en incompetentie van de regering en kondigde hij aan een nieuwe partij te zullen oprichten. De reactie liet geen etmaal op zich wachten. “Blanken vertellen ons: verander”, jammerde president Moi. “Ze dringen ons politieke veranderingen op. Zelfs Leakey, een blanke man, komt hier, en zegt ons: 'Ik wil jullie verwijderen'.”
Leakey mag dan uit een geslacht komen dat al drie generaties in Kenia woont (papa Louis liet zich zelfs initiëren tot Kikuyu), hij is en blijft wit. En dat heeft, naast veel voordelen, ook z'n nadelen. Zelfs al zou Leakey zich, geheel tegen zijn natuur, in zijn partij op de achtergrond houden, dan riskeren zwarte politieke vrienden verwijten dat ze loopjongens zijn van een koloniaal.
Leakey had succes als directeur omdat hij de wind er goed onderhield. Maar zou hij ook een goed politicus kunnen zijn? “Richard leeft van confrontaties”, zegt een familielid dat geen greintje fiducie heeft in diens politieke avontuur. “Ik geloof dat het gedoemd is - niet tot mislukking, maar tot een ramp.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.