*

 
dossier

Archief

Netelenbos meldt onterecht vermindering scholen met veel allochtone leerlingen

MARJAN AGERBEEK − 03/02/98, 00:00

AMSTERDAM - “Geruststellend”, zo noemt staatssecretaris Netelenbos de afname van het aantal basisscholen dat wordt bezocht door kinderen van één nationaliteit. Zij meldt de Tweede Kamer echter niet dat deze vermindering wegvalt tegen de afname van het totaal aantal basisscholen. Niets wijst op vermindering van het probleem.

In de onderwijsbegroting van 1998 noemde de staatssecretaris van onderwijs de mogelijk groei van het aantal zogeheten 'mono-etnische' scholen zorgwekkend en kondigde onderzoek aan door het departement. Mono-etnische scholen zouden de taalachterstand van allochtone leerlingen immers kunnen bevorderen. Het beloofde onderzoek is onder de titel 'Gewichten gewogen' vorige maand naar de Tweede Kamer gestuurd.

Uit de notitie blijkt dat het aantal scholen met vijftig procent of meer leerlingen van dezelfde allochtone bevolkingsgroep is afgenomen van 101 naar 83 tussen 1991 en 1996. En dus schrijft de staatssecretaris: “Deze gegevens zijn vanuit het belang van een goede integratie van allochtonen geruststellend”. Ongeveer twintig procent van de zwarte scholen valt in de categorie 'mono-etnisch'.

Netelenbos laat in haar conclusie buiten beschouwing dat het aantal basisscholen in de onderzochte periode ook terugliep, en wel van 8 435 tot 7 136. Dat is een vermindering van 15,4 procent. De vermindering van het aantal mono-etnische scholen bedraagt 17,8 procent. Geen verschil om over naar huis te schrijven, dus.

Bovendien is de absolute daling van het aantal mono-etnische scholen niet evenwichtig over de allochtone bevolkingsgroepen gespreid. De vermindering komt nagenoeg geheel voor rekening van de scholen met overwegend Turkse leerlingen. Dat waren er 43 in 1991 en 28 in 1996. Nu zit 22 procent van de Turkse leerlingen op en school met vijftig procent of meer Turkse kinderen, in 1991 was dat 29 procent, berekende het departement. Daarentegen is het aantal scholen met in meerderheid Surinaamse leerlingen gestegen van 10 naar 12. Bovendien zijn er tussen 1991 en 1996 drie mono-etnische scholen in de categorie 'overige nationaliteiten' bijgekomen. Het aantal Marokkaanse scholen nam weliswaar af van 41 tot 36, maar gerelateerd aan de daling van het totaal aantal scholen betekent dat toch een lichte groei.

Ook houdt Netelenbos geen rekening met de nevenvestigingen die door fusieoperaties zijn ontstaan. In 1991 bestonden er geen nevenvestigingen, in 1996 waren het er 135. Het ministerie registreert alleen het aantal allochtone leerlingen van een school als geheel. Dus een mono-etnische school die fuseert met een heterogeen samengestelde school en als nevenvestiging blijft voortbestaan, wordt onherkenbaar in de administratie van het ministerie. Het is heel wel denkbaar dat zich onder de nevenvestigingen de 'verdwenen' mono-etnische scholen bevinden.

Van de mono-etnische scholen met meer dan 75 procent leerlingen van dezelfde nationaliteit staat ruim de helft in de steden Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Maar ook Almelo heeft een basisschool met ruim tachtig procent Turkse leerlingen.

mailIcon print |