*

 
dossier

Archief

Het uitgekraste vers

HERMAN VAN TEYLINGEN − 03/02/98, 00:00

Dit is een van de 108 miljard verhalen over Krisjna, de minnaar van Radha, die de Bhagavad-gita uitsprak. God Zelf, de Alvervulde, noemen zijn liefdevolle dienaars hem. Voor hun geestesoog verschijnt hij als een dansende donkerhuidige koeherdersjongen, gehuld in geelzijden lappen, spelend op een bamboefluit, een pauwoogveertje in zijn golvende zwarte lokken... Een van de 108 miljard verhalen dus.

Er was eens een straatarme oude priester, wiens enige bezit de Bhagavad-gita was. Ieder vers in dat allerheiligste boek bracht hem in verrukking, op één na. Dat luidde (9.22):

'Al wie door onveranderlijk aan Mij te denken Mij aanbidt, steeds mét Mij álles laat Ik hem en 'K schenk hem alles wat hij mist.'

'Alles in de heilige Gita is volkomen waar,' zei de priester bij zichzelf, 'behalve dit ene vers. Want hoe zouden anders mijn vrome vrouw en ik terwijl we Krisjna al maar aanbidden zulke honger moeten lijden dat onze ribben te tellen zijn? Omdat dit vers fout is, hoort het niet in de heilige Gita thuis.' En hij greep zijn rietpen en kraste het zorgvuldig uit.

De volgende dag verliet hij zijn kale huisje en besloot pas terug te komen wanneer hij genoeg voedsel bij elkaar gebedeld zou hebben om een maaltijd aan Krisjna te kunnen offeren. Hij strompelde van dorp naar dorp, maar omdat de meeste mensen in die dagen amper genoeg bezaten om zichzelf in leven te houden, bleef zijn bedelnap leeg.

Op de derde dag werd er thuis bij zijn huisje luid aangeklopt. Zijn uitgemergelde vrouw, die onvoldoende kleding had om zich fatsoenlijk mee te bedekken, riep: 'Ik kan helaas niet opendoen!' Alsof de bezoeker begreep wat ze miste, frommelde hij door een kier een lap naar binnen, een stuk gele zijde. De priestervrouw wikkelde het haastig om zich heen en deed open.

Buiten stond een donkere koeherdersjongen, bamboefluit in zijn gordel, pauwoogveertje in zijn golvende lokken, met over zijn schouders een draagstok waaraan twee manden vol bakken en kruiken met rijst, groente, fruit en boterolie. 'Allemaal voor u, moedertje,' zei hij. 'Ik kwam uw man, mijn geestelijk leraar, tegen en die beval me om u alles te brengen wat u miste. En ik moest opschieten ook, zei hij. En in zijn goedheid zette hij zijn nagels in mijn rug om me de pas erin te laten zetten.'

'Maar beste jongen,' zei de priestervrouw verbijsterd, terwijl ze de nagelkrabben bette met een punt van haar nieuwe omslagdoek, gedoopt in Gangeswater, en er wat boterolie over uitsmeerde. 'Mijn man is niemands geestelijk leraar. Hij heeft niet één leerling. Dit moet een vergissing zijn. Neem alsjeblieft alles weer mee. Wij mogen er geen aanspraak op maken. Het zal voor de buren zijn.'

'Nee, echt niet, moedertje' zei de koeherder, 'alles is absoluut alleen voor u.'

'Ik snap er niets van,' zei de priestervrouw. 'Maar je zult wel honger hebben van al dat gesjouw. Ik ga dadelijk voor je aan de kook.' En verrukt dat ze de koeherder van dienst kon zijn haastte ze zich naar haar kookhokje terwijl de jongen in het voorvertrek achterbleef.

Terwijl ze op haar hurken zat te koken, kwam haar man het erf op lopen. 'Helaas, lieve vrouw!' riep hij al van buiten. 'Ik heb geen enkele aalmoes kunnen krijgen. We zullen niets meer aan de Heer kunnen offeren. Wat een ongekende ramp!'

'Nee, nee!' riep ze. 'Kom gauw binnen. Je leerling heeft ons bedolven onder het voedsel.' 'Mijn léérling?' vroeg de priester. 'Die koeherder binnen,' zei zijn vrouw. Maar de donkere jongen met zijn fluit was spoorloos verdwenen.

'Wat een berg eten,' stamelde de priester. 'Wat een wonder! Ach, laten we de Heer loven en prijzen.' Dadelijk nam hij zijn Gita. Het heilige boek viel in zijn handen open bij het negende hoofdstuk. En onder zijn verbijsterde ogen zag hij dat de krassen die hij zo zorgvuldig door het 'foute' vers had gehaald hadden plaatsgemaakt voor de oorspronkelijke regels:

'Al wie door onveranderlijk aan Mij te denken Mij aanbidt, steeds mét Mij álles laat Ik hem en 'K schenk hem alles wat hij mist.'

mailIcon print |