*

 
dossier

Archief

Komt je boek uit, gaan de mensen het nog lezen ook!

ESTHER HAGEMAN − 22/01/97, 00:00

Twee jaar geleden had ze nog geen letter gepubliceerd. Er was er zelfs maar één die haar mocht lezen: kinderboekenschrijver Guus Kuijer, op Schrijversvakschool 't Colofon haar begeleider. 't Colofon is de enige opleiding in Nederland tot het schrijverschap. Anders dan in de Verenigde Staten, waar cursussen creative writing op elke universiteit gegeven worden, geloven we in Nederland niet zo hard dat je schrijven op school kunt leren.

Sinds april 1996 ligt Vera Vlieger in de winkel met een eerste boek. Blote vogels, heet het. Uitgever L.J. Veen gaf het uit. Inmiddels staat ze zelfs genomineerd voor de Debutantenprijs, groot tienduizend gulden.

Vera Vlieger? Twee jaar geleden heette ze toch Vera Willemsen? “Ja, dat was een idee van Kuijer. Kun je geen andere naam verzinnen, zei die. Want er zijn al zo veel Willemsens die schrijver zijn. August. Flip. En nog een. Ik was dat eigenlijk wel met hem eens. Bovendien had ik een goeie naam beschikbaar: die van m'n man. De meeste vrouwen gaan tegenwoordig halverwege hun leven opeens hun meisjesnaam gebruiken, dat is bijna een ziekte. Bij mij is het andersom. Jarenlang m'n meisjesnaam gebruikt, nu de zijne. Kwam goed uit, want hij en ik zijn na 26 jaar opnieuw verliefd geworden.”

Uitgegeven worden is spannend, ja. Alsof je opnieuw eindexamen moet doen. Niet dat ze erg met haar boek heeft hoeven leuren. Maar spannend was het wel.

“Dat boek was eerst m'n examenwerkstuk voor de school. Dat was in mei 1995. Toen ging die zomer, augustus was het, de telefoon. Dat was die uitgever. Die zei: we hebben je manuscript, we gaan het lezen, vind je dat goed? Want als je niet bij een bepaalde uitgever wilt zitten, dan gaan ze het natuurlijk niet lezen. Ik zeg: prima.

Dat ze m'n boek hadden kwam door Thomas Verbogt. Die geeft net als Guus Kuijer les op 't Colofon, maar ik kende hem niet. Verbogt had het manuscript aan Veen gegeven.

Na dat telefoontje werd ik steeds zenuwachtiger. Zij zouden mij bellen, zeiden ze. Maar ze belden niet. Gruwelijk. Eind september hield ik het niet meer. Het was op de verjaardag van een dochter. Die werd twintig. Ik zei tegen mezelf: als je barenspijn aankan kan je ook opbellen. Dus op 28 september belde ik Veen en vroeg ik: hebben jullie het gelezen? Zeggen ze: Ja, we hebben het gelezen en. we. gaan. het. uitgeven!''

“Maar het is zo raar. Eerst ben je een paar weken blij. Echt blij. Je kan je niet voorstellen hoe blij, na al die spanning. Maar dan verandert dat. Opeens is het heel gewoon: ze gaan me uitgeven. En op zeker moment ga je zelfs denken: ja, nou, ze geven misschien wel iederéén uit. Dat soort gedachtes doe ik mezelf altijd aan.”

“Er zijn een paar dingen aan de tekst veranderd. Een boek is nooit af hè, je kunt er altijd aan blijven schaven. Ze wilden bij de uitgever dat ik een paar gedeeltes aanscherpte. Dat waren ook stukken waar je dol van werd hoor. Nu is het 'af' in die zin dat ik er niks meer aan wil veranderen. Maar ik heb es een stuk gelezen, ik meen van Gerrit Krol, dat hij tien jaar later z'n eigen boek herlas en alles wilde veranderen. Iemand die je dood laat gaan wil je laten doorleven. Een moord wordt niet meer gepleegd. Dat herken ik nu al. Maar ik doe er niks meer aan. Zo is het goed, zo is het gestold.”

“Wat de mensen over het boek zeggen vind ik allemaal kloppen. In de recensies is de kritiek: de vorm is te fragmentarisch. De uitgever wilde al dat het meer op een roman leek. Maar het zijn nou een keer korte stukken. Dat komt: als je korte stukjes schrijft moet elk stukje spannend zijn, net alsof je zit te zappen met een televisie. In een roman kan het ook wel even inzakken, dan maak je het verderop wel weer spannend. Maar dit boek zat op deze manier in m'n kop.”

'Blote vogels' gaat over de verhouding tussen een vrouw en haar moeder, maar ook over het werk van die vrouw in een verpleeghuis - het 'Bijna Thuis-huis'. “Iedereen wil weten wanneer ik in een bejaardenhuis heb gewerkt, en waar dan. Of het 'echt gebeurd' is. Het is niet echt gebeurd maar ik heb 't wel beleefd, zeg ik dan. Mijn moeder is nog springlevend en dat bejaardenhuis heb ik ook verzonnen.”

“Als een boek verschijnt dan is dat een feestelijke gebeurtenis hè, in een boekhandel. Je nodigt iedereen uit die je kent en iemand houdt een toespraak. Ik heb nogal trouwe vrienden, dus die winkel stond vol. Maar het gekke is: toen het eenmaal zo ver was vond ik er niks meer aan. Getverdemme! Je bent schrijver omdat je de mensen een beetje wilt ontlopen. Komt je boek uit, gaan de mensen het nog lezen ook. Gaan ze erover tegen je aanpraten.

“Veel leuker dan die presentatie vond ik het, dat ik in de fondslijst van de uitgever op de achterkant sta van Gerard Reve. Dàt vond ik wel zo'n eer. Als hij zichzelf uit die catalogus scheurt, scheurt hij mij ook uit. Die pagina heb ik dubbelzijdig gekopieerd en rondgestuurd aan vrienden.

“Van jaloezie, dat er een boek van je is verschenen, merk je wel wat maar ook weer niet zo veel. Je herkent het als mensen opeens meer tegen je praten dan eerst. Als ze drie keer komen zeggen: 'ik vond 't echt heel goed', dan denk ik: die is jaloers. Er zijn ook de 'ik heb zelf ook....'-mensen. Die zijn veel jaloerser. Die hebben zelf ook een boek geschreven, of ze hebben ook weleens gedacht wat jij hebt opgeschreven. Op 't Colofon zijn er ook de mensen die niet uitgegeven zijn. Die zeggen het ook gewoon: 'ik ben jaloers'. Dat vind ik wel prettig, die openheid. Dat zou ik ook zeggen, zeg ik dan terug.”

“Schrijver zijn is een beetje zielig beroep hè. Je verdient er niks mee. Ik weet ook helemaal niet of m'n boek loopt. Hier in Haarlem loopt het geloof ik wel, en in Den Haag ken ik wat mensen dus daar zal ook wel een piek te zien zijn. Zo'n uitgever betaalt je een voorschot, en van elk verkocht boek krijg ik een rijksdaalder. Er zijn schrijvers die veel contact met hun uitgever houden, veel langsgaan, veel naar de kroeg, deel uitmaken van het wereldje. Maar dat doe ik allemaal niet. Alsjeblieft. Ik vind het leuk om als schrijfster te leven: als ik bij de bushalte sta gebeurt er al wat. Je bent altijd aan het kijken, aan het beleven. Je hebt altijd wat te doen. Maar dat heeft niks te maken met 'bij Sonja zitten' of met 'in de krant staan'. Ik heb heel lang in het onderwijs gewerkt en ik dacht eerst dat het schrijverswereldje 'heel anders' was. Maar dat is niet zo.

Ik ben sinds april gewoon aan het schrijven gebleven, eerst met een ontzettend bevrijd gevoel omdat het eerste boek er was. Maar het is in de winter wel anders met die discipline. Ik schrijf nog steeds achter m'n neus aan. Als mensen er naar vragen zeg ik: m'n volgende boek verschijnt in 2001 en dat wordt de liefdesroman van de eeuw.''

mailIcon print |