DEN HAAG - Het decor van Molière's 'De mensenhater' (1666) door toneelgroep De Appel biedt een verrassend lichte en toegankelijke aanblik. Op de grijs-cementen vloer staan drie brede blankhouten stellingen haaks op elkaar als de opengewerkte wanden van een ruime salon. Kan in zo'n omgeving de door hoofdpersoon Alceste zo gehekelde hypocrisie heersen?
Nadere bestudering leert dat vormgever André Joosten er een commentaar met dubbele bodem op het stuk in heeft verwerkt. Enerzijds kan het symbool staan voor de holle veinzerij, waaraan alle anderen (behalve Alceste natuurlijk) zich schuldig maken. Tegelijk verwijst het fijntjes naar de onmogelijkheid van de door deze mensenhater vurig gepropageerde, onverbloemde waarheid en ongeremde openhartigheid. Langs de zijlatten zijn hier en daar flarden papier gespannen. Niet zomaar restanten van weggescheurd behang. Daarop zichtbare tekening en motieven van schilderijlijsten of overgordijnen blijken net even uit het lood te zijn. Ook de te laag hangende kroonluchter blijft in opgetrokken toestand nog steeds scheef.
Zelfs de kalme Philinte, Alcestes vriend die hem erop blijft wijzen dat wat water bij de wijn wel handig is om sociaal te kunnen functioneren, raakt ten slotte uit balans: als hij verslag doet van Alceste's fel-directe redeneertrant in een onmogelijke rechtszaak, heeft hij de bedwelmende troost van de fles hard nodig. Grappig genoeg grijpt Alceste even later met een veel gulziger woede naar diezelfde fles als hij zijn geliefde, de weduwe Célimène, definitief van ontrouw denkt te kunnen beschuldigen.
Dat is het aardige van de door Aus Greidanus geënsceneerde voorstelling, dat die de menselijke trekjes laat zien. Daarmee haalt Greidanus 'De mensenhater' veel meer naar het heden dan welke modernisering ook zou hebben gedaan. In Molière's tijd was huichelachtigheid in de hofkringen rond Lodewijk IV, Molière's broodheer, dè omgangsvorm en een voor sommigen welhaast noodzakelijke levenshouding om zich staande te kunnen houden. Van een vergelijkbare afhankelijkheid is bij ons geen sprake en het hekelen van die hypocrisie zal nu zeker minder hard aankomen, wat niet wegneemt dat vleierij en mooipraterij nog altijd bon ton zijn in heel wat sociale kringen. Wie zich daartegen verzet is een excentriekeling of heeft het moeilijk.
Lou Landré speelt Alceste als een driftkikker, een opgewonden standje die zich ook door toedoen van Philinte heus wel realiseert dat zijn woede op de huichelachtige maatschappij een onsje minder zou kunnen. Maar hij kiest voor het steil-in-de-leer-zijn en wordt des te woedender als hij merkt dat hij het alleen zichzelf daarmee onmogelijker maakt. Bij de eerste opkomst al loopt hij met een blik vol gramschap door het toneelbeeld, gaat demonstratief mokkend op een stoel daarbuiten zitten en plaatst zich daarmee buiten de handeling ofwel buiten de codes van de samenleving.
Prachtig is ook hoe hij zich vervolgens door de netelige situatie worstelt, waarin zijn mening over een zelfgeschreven sonnet van een liefdesrivale wordt gevraagd. Nerveus met twee stoelen wippend en wat schichtige blikken werpend op de glimlachend toeluisterende Philinte, draait hij om de hete soep heen tot hij, nijdig op zichzelf, uitbarst in een razende tirade en de in de grond geboorde dichter tot slot nog een klap in het gezicht toedient. Lou Landrés Alceste is koddig en tragisch tegelijk. Je kunt je voorstellen dat de door veel vrijers bewierookte Célimène juist door hem geïntrigeerd is. Zoals zij door Sacha Bulthuis wordt gespeeld, is zij veel meer dan een roddelzieke dame. Zij heeft allure, zij is aan Alceste gewaagd.
Deze Célimène speelt het spel van haar omgeving op superieure wijze mee. In een ultrakort jurkje met een doorzichtig zwartgazen overkleed tot op de voeten is zij het toonbeeld van verleidelijkheid zonder zelf te verleiden. Al schort zij het rokje even extra op als zij gaat zitten en al stopt zij haar parelketting met een kinderlijke verbazing tussen haar lippen, zelfs als zij geconfronteerd wordt met de brieven aan haar minnaars, waarin zij ieder te kijk zet, blijft zij boven de situatie staan. De kokette glinstering in haar ogen aan het eind, als Philinte haar vraagt Alceste af te houden van zijn voorgenomen isolement, is veelbelovend.
Uit de monden van Landré en Bulthuis, maar ook uit die van Hubert Fermin als een vaderlijk vriendelijk Philinte, klinkt de vertaling in verzen van Laurens Spoor zo fris alsof zij de redeneringen en spitsvondigheden ter plekke verzinnen. De jongere acteurs, die de andere vrijers spelen, hebben daar duidelijk meer moeite mee. De rijm biedt hun eerder houvast dan dat zij daar mee kunnen spelen. Mooie vondst is dat - telkens bij aanvang van het volgende bedrijf - de stoelen, die vrijwel de enige hulpstukken zijn, zodanig staan opgesteld dat het lijkt of daar zojuist een bijeenkomst is geweest. Het wekt de suggestie, dat Alceste de grond van zijn woede uit het voorgaande haalt.
Ambiance, enscenering en spel hebben een luciditeit die de voorstelling ver boven het begrip blijspel uittilt. Deze 'Mensenhater' is een intens menselijk drama over de onmogelijkheden in het sociale verkeer.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.