De auteur is universitair docent recht der internationale organisaties aan de Rijksuniversiteit Utrecht en lid NJCM.
In het kader van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) is zelfs een speciale voorziening getroffen. Het in Warschau gevestigde Bureau voor democratische instituties en mensenrechten fungeert als een soort makelaar tussen regeringen, parlementen en niet-gouvernementele organisaties die als waarnemer bij verkiezingen willen optreden enerzijds en de bevoegde autoriteiten in staten waar verkiezingen zullen plaatsvinden anderzijds.
Hoewel de OVSE een organisatie is van vrijwel alle Europese staten plus de Verenigde Staten en Canada, zijn het tot nu toe alleen de Oosteuropese staten geweest die via het Bureau buitenlandse waarnemers hebben uitgenodigd. Westerse staten blijven in dit opzicht achter.
Alibi
Dat is een kwalijke zaak. Het gevaar bestaat dat Oosteuropese staten waar de democratische ontwikkeling nog te wensen overlaat of waar zich een negatieve ontwikkeling voordoet, het Westerse gedrag als alibi kunnen gebruiken om ook af te zien van het uitnodigen van waarnemers. Het zou een goede gewoonte moeten zijn dat èlk lid van de OVSE bij verkiezingen waarnemers uitnodigt.
Deze overwegingen - en beslist niet de gedachte dat bij verkiezingen in Nederland onregelmatigheden te bespeuren zouden zijn - hebben het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) in november 1993 ertoe gebracht de toenmalige minister van binnenlandse zaken te vragen om bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer, de gemeenteraad en het Europees Parlement in 1994 via het Bureau in Warschau waarnemers uit te nodigen.
De toenmalige staatssecretaris van binnenlandse zaken, mevrouw De Graaff-Nauta, antwoordde in april 1994 daarop dat de aanwezigheid van buitenlandse waarnemers bij verkiezingen een positieve bijdrage kan leveren aan het verkiezingsproces in de OVSE-staten. Aan het uitnodigen van buitenlandse waarnemers in Nederland zaten echter nogal wat haken en ogen, aldus de staatssecretaris. Zij wees erop dat de toegang tot de stemlokalen op basis van de Nederlandse regelgeving voorbehouden is aan de leden van het stembureau en de kiezers en dat de handhaving van de orde daar een taak van de voorzitter van het stembureau is, eventueel geïnstrueerd door de burgemeester. Zou de burgemeester of de voorzitter van het stembureau waarnemers de toegang weigeren of hun geen inzage willen verlenen in de verkiezingsbescheiden, dan zou de staatssecretaris geen mogelijkheden hebben daartegen op te treden.
Dit antwoord is niet onbegrijpelijk. Nederland kan geen diplomatiek schandaal riskeren, dat zou ontstaan als de voorzitter van het stembureau nummer 70 te Empel in Noord-Brabant geen Rus in zijn stembureau zou willen hebben, terwijl diezelfde Rus door Nederland is uitgenodigd om te komen waarnemen. In de praktijk zal het overigens waarschijnlijk zo'n vaart niet lopen: bij vorige verkiezingen is het wel gebeurd dat buitenlanders informeel stembureaus bezochten om te kijken hoe het stemmen er hier aan toe gaat.
In het antwoord aan het NJCM stelde de staatssecretaris dat zij van plan was kort na de verkiezingen te onderzoeken hoe de positie van waarnemers zou kunnen worden geregeld en hierover het oordeel van de ministerraad te vragen. De oplossing moet waarschijnlijk gevonden worden in een aanpassing van de Kieswet.
Het is te hopen dat deze wijziging snel doorgevoerd wordt, zodat de verkiezingen voor de Provinciale Staten van vandaag de laatste zijn waarbij geen waarnemers door de Nederlandse staat kunnen worden uitgenodigd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.