Een autobiografie wil de nu 82-jarige journalist, criticus, vertaler en auteur Max Nord zijn deze week verschenen boek 'Achterwaarts' niet noemen. “Herinneringen ophalen is iets anders dan met een autobiografie komen. Wat ik heb geprobeerd is een heel klein stukje tijdgeschiedenis te schrijven.”
Het Fonds voor de Letteren haalde Nord over zijn herinneringen te boek te stellen. “Op voorwaarde dat het niet te persoonlijk hoefde te worden, want daar voelde ik niets voor. Of ik mijn vader heb willen doden en mijn moeder begeerde gaat niemand aan. Evenmin had ik behoefte mijn liefdesleven aan den volke voor te leggen.” Ondanks deze zichzelf opgelegde beperking was het een hele opgave, omdat het opgraven van herinneringen dwingt terug te blikken op soms minder plezierige gebeurtenissen. “Het schrijven van memoires is: achterwaarts mars!”, concludeert Nord.
Zijn lezers te onthalen op buikpijnaanvallen, een opstandig darmenstelsel, de daaruit voortkomende gemakzucht die hem ertoe bracht tijdens een logeerpartij zijn behoefte te doen in een emmer waarin de gastvrouw schoon linnengoed bewaarde, zijn geheugenverlies na het auto-ongeluk waarbij zijn vrouw het leven liet en de perikelen van een blindedarmoperatie vond Nord daarentegen wel be-langrijk. “Document, herinnering, commentaar, autobiografie, alles bij en door elkaar is het geworden.” In zijn terugblik ontbreekt een visie op de huidige journalistiek. “Ik heb me beperkingen opgelegd. Ik wilde niet in de voetsporen van Willem Oltmans treden en een dikke pil van zeshonderd bladzijden schrijven. Maar ik ben geen man die roept dat het vroeger allemaal beter was. De huidige journalistiek vind ik over het algemeen erg goed. Ik lees dagelijks drie kranten, waaronder Trouw, en ik moet zeggen dat de berichtgeving van een hoog niveau is, ook als je die met buitenlandse kranten vergelijkt.” Nord valt het op dat alles veel opener is geworden.“In mijn tijd werden veel zaken niet openlijk gezegd. Zo was het taboe het over zelfmoord te hebben. Daar schreef je niet over omdat het mensen wel eens op de gedachte zou kunnen brengen dat na te volgen. Grote onzin natuurlijk. Als journalist bleef je vroeger op de achtergrond. Nu staan er overal namen van de schrijvers bij.”
Jarenlang was Nord voor Het Parool Frans correspondent. Dat waren zijn gloriejaren. Nog steeds zijn de banden met Frankrijk hecht, vooral omdat een van zijn dochters en haar kinderen er wonen. Het verklaart de lofzang op zijn tweede vaderland in zijn boek. “Frankrijk heeft alles: twee zeekusten met mooie stranden en veel zon. Het heeft voor de liefhebbers veel bergen, soms zelfs met veel sneeuw erop. Het heeft laagland met graan, wijn, vee, valleien, rivieren, meren, steden en dorpen en een grootse traditierijke literatuur. Frankrijk heeft wat je maar wilt: theater, schilder- en beeldhouwkunst, ballet, muziek, circus, film, kastelen en kathedralen, een lange geschiedenis van oorlogen, invasies, veldtochten, revoluties, hofleven, rijkdom en armoede, schandalen, misdaad, list en bedrog en niet in het minst hartstochtelijke liefdes. Om machtig, belangrijk, groot, interressant of rijk te worden trok al wat eerzucht, talent en kennis had naar Parijs.” Nord geeft toe dat dit gevoel ook hem bezielde. Al werkende aan deze memoires kwam Nord tot de ontdekking dat hij zijn verwondering over en nieuwsgierigheid naar deze wereld als 82-jarige nog niet kwijt is. “Het leven is een aaneenschakeling van toevalligheden. Waar je geboren bent en uit wie, wanneer, in welke sociale en culturele omstandigheden je opgroeit, hoe blind je in de val van de liefde loopt en hoe sterk vriend-schap is. Ook wie je vijanden waren binnen het domein dat je afbakende. Waar verscheen de dood en hoe? Alles ondoorzichtig, alles toeval. Lot noemen sommigen dat, noodlot zelfs, maar die termen zijn mij te zwaar. Ze suggereren een romantisch plan.”
Nord komt in deze mijmeringen aan het eind van zijn boek uit de verf als een man voor wie het leven niet heeft gebracht wat hij ervan verwachtte. Letterlijk zegt hij: “Dat het leven geen zin heeft, daarvan was ik al heel vroeg overtuigd. Niet dat ik er blij mee was, zoals een filosoof mij later aanbeval - daar was ik zelf nog niet opgekomen -, het was eerder vanzelfsprekend voor mij en, hoewel niet blij dus, ik heb er nooit onder geleden. De eerste en voor sommigen kwellendste vraag van de schoolcatechismus, waartoe zijn wij op aarde?, heeft mij niet erg beziggehouden. Wel verbazing, verwondering, nieuwsgierigheid naar de houdingen en opvattingen van mensen om mij heen. Het fanatisme, extremisme, fundamentalisme waartoe geloof, ideologie en eigenbelang kunnen leiden geeft voor niet veel anders ruimte dan voor zelfbescherming en afpalen van het domein dat leefbaarheid mogelijk maakt.”
Uitgebreid gaat Nord in op zijn belevenissen in de Tweede Wereldoorlog, waarin het illegale Parool een belangrijke rol speelde. Het is het zoveelste verhaal over die periode waar eigenlijk niemand op zit te wachten. Interessanter zijn Nords herinneringen aan kunstenaars die in zijn lange leven zijn pad kruisten. Daarbij kwamen dagboeknotities die hij destijds maakte goed van pas. Bijvoorbeeld van een literair avondje, deftig aangeduid als 'een salon de haute literature', op 10 februari 1944 ten huize van Henriette van Eyck. Nord vertelt hoe Adriaan Roland Holst daar een nieuw(tijds) gedicht voorlas en dat de gastvrouwe “iets afwezigs over zich had en tegelijk iets smartelijks”. Met Simon Vestdijk onderhield hij ook nauwe contacten. Het was Nord die Vestdijk aantrok als literair medewerker van Het Parool. Vestdijk deed dat niet uit liefde voor die krant, maar omdat hij de honderd gulden honorarium die hij kreeg goed kon gebruiken. Het was belangrijk meer dan de 35 gulden die de NRC hem voor een bijdrage betaalde.
Nord toont zich duidelijk geen vriend van Den Doolaard. Daarvan getuigt de recensie die hij in 1946 schreef in het weekblad 'De Baanbreker' over Den Doolaards bij De Bezige Bij verschenen verzen 'De partizanen en andere gedichten'. “De gehele oorlog heb ik het betreurd dat Den Doolaard zich zulk een voortreffelijk vaderlander heeft getoond. Wat hadden we hem niet kunnen verfoeien als hij grondig 'fout' was geweest. Het heeft niet zo mogen zijn. Wij hebben onvolgroeide gedichten en zijn op hol geslagen praatwerk moeten slikken met de boerenkiespijnwelwillendheid van 'partijgangers'. Den Doolaards populariteit schijnt te berusten op hetgeen in de aanvang zweemde naar zuivere en tomeloze vitaliteit, volkomen ongeremde levensvreugde met het frisse veelal naïef clowneske daarvan. Het is gebleken dat het niet anders was dan zichzelf overschreeuwende hysterie. Achter de onbeholpen kreupele rijmen en de haat-kakofonie doemt slechts het beeld op van iemand die van harte meedoet, echter zonder ook maar enig begrip van waarom het gaat.
Zijn levensconceptie berust op het zwart-wit schema dat wij in de nazi's hebben leren verafschuwen. In alles wat hij ondernam is hij het slachtoffer van zichzelf geworden. Kon men deze man ooit enige humor bijbrengen dan was hij voor onze letterkunde verloren. Maar daar elk spoor van deze dauwdrup der menselijkheid in zijn zielenleven, zoals het gedrukt staat, ontbreekt is er geen sprake van hoop dat wij niet bij voortduring zullen worden ondergestoven door de zandstorm van Den Doolaards gemoedsleven.''
Den Doolaard gaf Nord van katoen. Hij stuurde Nord een briefkaart met daarop de woorden 'Soms jaloers?' Nord heeft na al die jaren geen spijt van die recensie. “Ik denk nog precies zo over Den Doolaard. Een vriend van mij is hij nooit geworden.” Met Hendrik de Vries klikte het evenmin, al zegt Nord desgevraagd voor deze man 'een grote bewondering te hebben'. In november 1948 kwam De Vries bij Nord logeren. Na afloop noteerde Nord in zijn dagboek: “Hendrik de Vries hier te logeren gehad: een kleine, burgerlijk uitziende man met heldere, lichtblauwe ogen. Ik heb niets met hem gemeen. Hij vertegenwoordigt een kunstenaarschap dat ik moet aanvaarden, maar niet ken. Komisch was dat hij mij uitlegde dat zijn verzen nooit op waarde werden geschat. Ze moeten op z'n Gronings worden uitgesproken om tot hun recht te komen.”
Komisch zijn Nords herinneringen aan de komiek Buster Keaton, die hij in de pauze van een voorstelling in Parijs probeert te strikken voor een interview. Keaton ontvangt hem in witte onderbroek. Keaton spreekt nauwelijks Frans, iets wat hem bijzonder hindert omdat hij nu zijn koffer vol Franse fanmail niet kan lezen. Als Nord er een paar vluchtig vertaalt vraagt Keaton hem zijn secretaris te worden voor zijn Europese tournee. Hij zal er goed voor worden betaald. Om niet onbeleefd te lijken en alsnog het gewenste interview te krijgen belooft Nord er over na te zullen denken.
De ontmoeting resulteert in een uitnodiging voor een gezamenlijk etentje. Keaton kan geen Franse menukaarten lezen en wil eindelijk wel eens lekker eten. Nord kan daarbij stellig van dienst zijn. Op kosten hoeft niet te worden gelet.
Nord zoekt voor de daaropvolgende zondag een duur restaurant uit in het Bois de Boulogne en haalt het echtpaar Keaton in zijn auto op in een miezerig hotelletje in Montmartre. “We aten vorstelijk en Keaton maar zeuren dat ik zijn secretaris moest worden. Verder had hij niet veel interessants te vertellen. Het enige wat hij met toewijding deed was eten. Aan afrekenen had hij een hekel.” Nord bracht de Keatons terug naar hun hotel en kreeg bij het afscheid niet eens een bedankje of vriendelijk woord. Omdat er over de ontmoeting niets viel te schrijven durfde hij de gepeperde rekening niet bij de krant te declareren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.