*

 
dossier

Archief

Onduidelijkheid over het Nederlandse goud voor 1940

Door: redactie − 09/12/97, 00:00

De berichtgeving over het goud dat de Duitsers tijdens de bezetting van de Nederlandsche Bank hebben geroofd (Trouw van 2 december e.v.) bevat geen afdoende beantwoording van de vraag om hoeveel het gaat. Er wordt een waarde genoemd van 137 miljoen dollar. Nergens blijkt uit waarop die waarde is gebaseerd. Hieraan zou men voorbij kunnen gaan, als er over dat goud niet zoveel onduidelijkheid zou bestaan.

De officiële geschiedschrijving geeft op dat punt ook geen eenduidige antwoorden. De Jong wijdt in zijn 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' een aantal passages aan de vraag, hoeveel goud van de Nederlandsche Bank uit handen van de Duitsers is gebleven. Vergelijking van die passages met elkaar maakt het er voor de lezer niet duidelijker op.

In deel 2, pag. 284 en 285, staat dat de Nederlandsche Bank in 1938 begonnen was met het vervoeren van goud naar Engeland en de VS. Van de totale goudvoorraad ter waarde van ¿ 1235 miljoen bevond zich op 31 maart 1940 ¿ 750 miljoen in Londen en New York. Op pag. 117 van deel 2 vermeldt De Jong, dat er op 11 maart 1940 voor ¿ 166 miljoen aan goud in houten kistjes werd verpakt om het onmiddellijk naar Engeland te kunnen vervoeren. Er was namelijk weer een Duitse aanval aangekondigd door majoor Sas. Toen die aanval in maart uitbleef, bleef de goudvoorraad ingepakt staan.

Deze ingepakte voorraad komt in deel 3 weer ter sprake. Op pag. 152 staat, dat deze op 10 mei 1940, de dag van de Duitse aanval, naar Engeland werd verscheept. Daardoor werd - aldus De Jong - met de eerdere verschepingen ruim 80 procent van de goudreserves van de Nederlandsche Bank aan de greep van de Duitsers onttrokken. Een eenvoudige rekensom leert, dat dan de totale hoeveelheid goud van de Nederlandsche Bank een waarde moet hebben gehad van ¿ 1008 miljoen, dus ¿ 225 miljoen minder dan in deel 2 wordt vermeld.

Het gaat de lezer duizelen, wanneer die op pag. 285 van deel 12 leest, dat zich na de bevrijding voor ¿ 107 miljoen aan goud van de Nederlandsche Bank in Duitse handen bevond. Als deze hoeveelheid 20 procent is geweest, dan moet de totale goudhoeveelheid van de Nederlandsche Bank in 1945 ¿ 535 miljoen waard zijn geweest. Voor deze enorme verschillen geeft De Jong geen uitleg. Een verklaring kan zijn, dat de Duitsers inmiddels het goud gedeeltelijk in Zwitserland hadden 'ondergebracht', waardoor er in Duitsland minder te achterhalen viel dan er geroofd was.

Een bijkomende kwestie betreft een deel van de hoeveelheid goud ter waarde van (destijds!) ¿ 22 miljoen van de Nederlandsche Bank die op 10 mei 1940 per boot van Rotterdam naar Engeland moest worden vervoerd. Doordat deze boot bij Vlaardingen op een mijn liep, kwam al het goud op de bodem van de Nieuwe Waterweg terecht. Volgens De Jong (deel 3 pag. 150 en 151) is dit goud tijdens de bezetting voor viervijfde geborgen, door de Duitsers tot oorlogsbuit bestempeld en in beslag genomen. De auteur deelt niet mee, wat er met het restant van de hoeveelheid gezonken goud is gebeurd. Deze vertegenwoordigde in 1940 nog altijd een waarde van minstens ¿ 4,2 miljoen.

Er valt nog heel wat op te diepen. Mogelijk draagt het congres in Londen over het gestolen oorlogsgoud daartoe bij. Het trekken van de juiste conclusies is doorgaans voorbehouden aan degenen die over eenduidige informatie beschikken.

Nieuwegein Hessel Nentjes

mailIcon print |