*

 
dossier

Archief

Stokoude Elliot Carter slaat verrassende weg in

KEES ARNTZEN − 20/02/98, 00:00

AMSTERDAM - De bijna negentig-jarige Amerikaanse componist Elliott Carter lijkt in geestkracht op Verdi. Die begon immers met 'Falstaff' rond zijn tachtigste aan een voor hem volkomen nieuwe genre: de komische opera. Elliott Carter was acht jaar ouder toen hij een verrassend fris en transparant klinkend klarinetconcert voltooide. In een voor ruim de helft gevulde Concertgebouwzaal kwam het woensdagavond tot klinken.

Met het dubbelconcert voor piano en klavecimbel uit 1961 vormde dit klarinetconcert uit 1996 de dubbele spil waaromheen het laatste concert in de succesvolle serie 'Tijdgenoten' zich afspeelde. Voorlopig, want de serie rond zes (nog) componerende zwaargewichten vindt in de komende jaren een vervolg.

Het Asko-ensemble onder de geroutineerde leiding van dirigent Oliver Knussen plaatste de beide concerten van Carter woensdagavond in de context van een 'All-American Stars'-programma. Zowel Charles Ives als Conlon Nancarrow kunnen bogen op de status van 'verontachtzaamde, maar herontdekte Amerikaanse componist'. De componisten Wallingford Rieger (1885-1961) en Crawford-Seeger (1901-1953) zijn geen echte sterren, maar met hun werken uit de jaren twintig en dertig van deze eeuw zetten zij Carter in een relevant en interessant perspectief.

De mezzosopraan Mary King vertolkte met wisselend succes drie liederen van Ruth Crawford-Seeger. In het middelste lied moest de zangeres het in volume afleggen tegen het ensemble. Met milde 'afterbeat', als in een pop-song, suggereerde het orkest hier het aambeeld, waarvan in de tekst sprake is. In de beide andere liederen kwam het inlevingsvermogen van King wel tot zijn recht.

'Study in sonority' noemde Rieger in 1927 een compositie, met de zeker voor die tijd opvallende bezetting van tien violen. De soms laat-romantische sfeertekening wisselde hij af met ritmische pizzicati, die een voorbode lijken te zijn van de 'ritmische gelaagdheid', die het eigenlijke onderwerp van de avond vormden.

Ruim veertig jaar uit elkaar liggen de twee 'stukken voor kamerorkest' die Conlon Nancarrow componeerde. Pas toen hij eind jaren tachtig een uitvoering van het eerste stuk werkelijk hoorde spelen, kreeg hij zin om een tweede te componeren. Toen had hij echter al met zijn pianola-stukken jarenlang ervaring opgedaan met een ritmische complexiteit, die zijn weerga niet kent. Maar ook in het lastige tweede stuk bracht het Asko- ensemble het er goed vanaf. In de jazz-achtige compositie ontstond de illusie van verschillende tempi, die toch nauw samenhangen.

Handelsmerk

Ook Ives experimenteerde bij leven met het door elkaar heen gebruiken van verschillende tempi, al was dit in het super-korte openingsstuk 'The gong on the hook and ladder' niet direct waarneembaar. Hoewel Elliott Carter al als adolescent in de jaren twintig kennismaakte met Ives, duurde het tot ver na de Tweede Wereldoorlog vooraleer Carter dergelijke ideeën tot zijn handelsmerk maakte. Het dubbelconcert voor piano en klavecimbel, woensdagavond bespeeld door René Eckhardt en John Constable, getuigt hiervan. Maar ook wie niet weet op welke ingewikkelde wijze Carter samenhang in deze compositie probeerde te krijgen, raakt geboeid door de intensiteit en veelkleurigheid van deze fraaie compositie.

Nog boeiender, want van een grotere helderheid, bleek Carter in zijn recente klarinetconcert. De ster van de avond, klarinettist Michael Collins liep ontspannen door het ensemble heen, om zich nu eens met virtuoze loopjes bij de houtblazers te voegen, en dan weer met luie en behaaglijke lange tonen bij de strijkers te vertoeven. Ondanks, of juist door zijn vergevorderde leeftijd slaagt de krasse ouderling Carter er in deze compositie in te overtuigen. Op een selectieve en zinvolle manier gaat hij voor ons plezier om met allerlei verworvenheden uit een met klanken rijk gevuld leven. Wie doet het hem na?

mailIcon print |