*

 
dossier

Archief

Wet en mens

Door: redactie − 12/10/96, 00:00

Recent is ruime aandacht besteed aan de uitlating van mgr. Muskens, dat wat de kerk betreft iemand die honger heeft en een brood bij de bakker wegneemt, niet schuldig is aan diefstal in de gebruikelijke zin van het woord. Politici vielen over hem heen en hebben hem gekapitteld. Kok en Bolkestein gaven hun mening en hebben hem gewezen op de grenzen die gesteld worden door de maatschappelijke regelgeving.

Ongeveer tezelfder tijd blijkt dat een onderzoeksrechter in de zaak Dutroux waarschijnlijk moet terugtreden omdat de wet boven alles gerespecteerd dient te blijven. Hij heeft een bord spaghetti gegeten op kosten van familie van slachtoffers van Dutroux en zou daarom niet meer onbevooroordeeld zijn.

Beide zaken hebben met elkaar gemeen dat de formele wet wordt gesteld boven de moraal en algemeen aanvaarde zedelijkheid. Kennelijk wordt het instituut van de wet, wat nooit meer kan zijn dan een instrument om rechtvaardigheid te bewerkstelligen, hoger geacht dan inhoudelijke rechtsgevoelens in concrete situaties. Van professionele politici en juristen kan ook niet anders worden verwacht. Zij kunnen niet boven zichzelf uitstijgen. Dat er een moraal is die een hogere waarde heeft dan het instrument van regelgeving, ligt buiten het raam van hun denkvermogen. Zo ergens dan geldt in dergelijke gevallen echter wat dezer dagen in Trouw werd geschreven naar aanleiding van het boekje over mgr. Bür 'Langs wegen van barmhartigheid': “Het gaat hem om de mens, niet om het instituut.” Niet het instituut van de regelgeving, maar de medemenselijkheid moet het richtsnoer van ons handelen zijn. Zijn die twee strijdig, dan prevaleert de medemenselijkheid.

Blijft de vraag waarom mgr. Muskens niet heeft gezegd dat wie honger heeft een brood bij de diaconie van de kerk kan komen halen en ook of er in België nog iemand te vinden is die nièt bevooroordeeld is in het geruchtmakende zedenschandaal. Uit deze voor de hand liggende vragen, die onbeantwoord blijven, blijkt eens te meer dat ook plichtsgetrouwe beroepsuitoefening de menselijke geest enorm kan verkokeren.

Eersel W.P. Weijland

mailIcon print |