*

 
dossier

Archief

'Ik voel me al een echte Oezbeek-Rus, heb me de cultuur eigen gemaakt'

ERIC HORNSTRA − 05/01/96, 00:00

DORDRECHT - Een ontmoeting met Hans Verel, ex-trainer van FC Den Bosch, RBC, NAC, Dordrecht'90 en RKC vergt veel van het lichamelijk gestel. De handdruk is krachtig, verpletterend bijna. Een greep die doet vermoeden, dat je van doen hebt met een man die blaakt van vertrouwen.

Dat voorgevoel blijkt te kloppen. De trainer, die in het seizoen '91-'92 bij SVV/Dordrecht'90 een depressie nabij was, toen de muitende spelersgroep hem het leven zuur maakte, loopt tegenwoordig met opgeheven hoofd rond. In Oezbekistan - sinds een jaar zijn nieuwe werkterrein - wordt hij immers op handen gedragen. In de hoofdstad Tasjkent bekleedt hij de functie van technisch directeur bij de grootste club, Pachtakor. Daarnaast vervult hij een rol als adviseur bij de nationale selectie.

Nooit eerder begaf een Nederlander zich naar het conglomeraat van (ex-) Sovjet-staten om het voetbalzendelingenwerk ter hand te nemen. Hans Verel waagde die sprong in het diepe wèl. Bij RKC had hij het in het najaar van '94 wel gezien toen hij daar uitsluitend op provisiebasis verder mocht. Verel: “Ik vond dat ik door die beperking niet meer met plezier kon werken. In datzelfde najaar hing Vitesse-voorzitter Karel Aalbers, die zaken doet in Tasjkent, aan de lijn. Hij vroeg of ik interesse had om trainer-coach in Oezbekistan te worden. Ik ben meteen in de atlas gaan zoeken waar dat land lag.”

Verbazing en ongeloof markeerden de eerste kennismaking met het Aziatische land. Hans Verel was in het geheel niet voorbereid op de grootse ontvangst in Tasjkent. Bij aankomst op de luchthaven stonden radio en tv hem op te wachten. “Ik wilde me slechts oriënteren, maar werd er met alle egards behandeld. Karel Aalbers praat in Oezbekistan met mensen op hoog niveau. Ik werd er voorgesteld aan de president, Islam Karimov. We zijn toen een overeenkomst voor twee jaar aangegaan. Ook mocht ik het nationale elftal adviseren. Nu zijn er zelfs plannen om mij, naast mijn werk voor Pachtakor, bondscoach te maken. Die combinatie van werkzaamheden is daar heel normaal. Ik heb nu een rapport geschreven over de organisatie rond het nationale team en het Olympisch elftal.”

Mochten zijn functies uitgebreid worden, dan rust op Verel de taak Oezbekistan aan te voeren in de kwalificatiereeks naar het WK in Parijs. Bang voor een afgang is hij niet. De infrastructuur mag dan gebrekkig zijn, Oezbekistan heeft dit jaar tegen Nigeria twee keer uitstekend gepresteerd. “In Lagos verloren we van een Nigeriaans team in topbezetting met 1-0”, vertelt de 42-jarige trainer. “Thuis verloren we daarna met 2-3. Knelpunt in Oezbekistan is vooral het algehele gebrek aan structuur. De trainer van het Olympisch team heeft bij voorbeeld niets te maken met het A-team en hanteert rustig een ander systeem.”

Verel doet aan pionierswerk. Voetbal is in Oezbekistan de nationale sport, maar op straat is daar weinig van te merken. Een bal is een rijk bezit en het schoeisel waarop de jochies spelen is op zijn zachtst gezegd schamel. Dat gebrek aan elementair materiaal maakt het volgens Verel ook zo moeilijk, iets van de grond te krijgen. “Pachtakor is nu begonnen met het opzetten van een jeugdvoetbalschool. Parallel daaraan proberen we een educatie voor trainers van de grond te krijgen. Op speltechnisch en -tactisch gebied ligt er een heel terrein braak. Er is kwaliteit, maar de trainingsmethodes ontbreken. Ze gaan er rustig drie kwartier op orthodoxe manier oefeningen doen. Toen ik kwam trainden de keepers zelfs niet mee in positiespelletjes.”

“Je hebt maar twintig of dertig spelers, één team dus. Reserve-elftallen en jeugdselecties ontbreken. Ik heb daarom in een rapport uitgelegd wat wij Westeuropeanen als normaal ervaren. Stapsgewijs zouden we eerst een competitie voor A-jeugd moeten starten om daarna ook de B-jeugd te betrekken.”

Sinds begin november is Hans Verel in Nederland. Om twee maanden bij te tanken en zijn gezinsleden weer even te zien. Oezbekistan bezit geen internationale school, daarom vond hij het onverantwoord zijn vijftienjarige dochter mee op sleeptouw te nemen. Het verblijf in zijn uppie valt hem niettemin mee. “Het is goed dat ik alleen gegaan ben, zonder een Nederlandse collega. Daardoor moest ik meteen het diepe in. Als je samen met een ander gaat, loop je het risico dat je constant met elkaar optrekt. Ik begeef me nu onder de mensen. Ik word overal uitgenodigd, ben inmiddels een Oezbeek-Rus, leef in hun cultuur. Dat is belangrijk, dan word je ook opgenomen.”

De integratie is voor honderd procent geslaagd. Verel: “Maar daar heb ik zelf ook alles aan gedaan. Ik heb het mezelf opgelegd vier keer per week een uur Russisch te studeren. De trainingen kan ik nu zelfstandig leiden. Alleen bij gesprekken met de federatie val ik nog terug op mijn tolk.”

Er waren veel zaken waar Verel aan moest wennen. Met een glimlach kaart de coach de regionale eetgewoontes aan. “In Tasjkent is plof (rijst met schapevlees) het nationale gerecht. Het wordt gegeten bij verjaardagen of trouwerijen. Dan zie je vrouwen om half vijf 's ochtends straten afzetten en rijen tafels plaatsen. Alleen mannen mogen aanzitten. Plof eet je met je handen. Ik herinner me nog de eerste keer. Naast me zat de chauffeur van de Pachtakor-bus. Als hij niet rijdt, sleutelt hij. Die man heeft dus een paar handen. . . Hij hield me wat plof voor en stak zo die pikzwarte hand voor mijn mond. Ik was er net, wilde niemand bruuskeren, dus wat doe ik? Ik laat zo die vieze, vette gore duim mijn mond inglijden. In het vervolg hebben ze me, omdat ik een buitenlander ben, toch maar een lepel gegeven.”

Met een andere, bizarre traditie maakte Verel kennis tijdens een uitwedstrijd van Pachtakor. “We speelden in Noerafsjan en zoals gebruikelijk gingen we voor de wedstrijd even het veld inspecteren. Ik kwam met de spelers en een aantal andere mensen uit de catacomben en ineens gingen al die mensen staan. Iedereen begon te juichen en te gillen. Ik dacht: 'Goh Verel, wat ben je hier immens populair'. Wat ik niet in de gaten had, was dat er achter mij een paar mensen het veld betraden met een hevig tegensputterend schaap. Wat gebeurde er? Naast een van de doelen was een kuil. Het beest werd gelyncht en in die put gegooid. De symboliek was dat ook de tegenstander die middag eenzelfde lot te wachten stond. Het hele stadion reageerde op die slachtpartij alsof er een doelpunt gemaakt was. Ikzelf heb me bij die ceremonie toch maar even omgedraaid.”

In een jaar is Verel van clubcoach uitgegroeid tot voetbalambassadeur van het land. “Ik overleg bijvoorbeeld regelmatig met de vice-president van het land over beleidszaken. Ik ben hier in Nederland nooit bij de koningin geweest, maar zo word je daar wèl ontvangen.” Ook over zijn huisvesting heeft hij niet te klagen, want voor Oezbeekse begrippen woont hij in een paleis. “Ik heb een biljartzaal met een snookertafel, diverse kamers, een sauna en een klein zwembad. Alles in vrij antieke staat, maar toch. Daarnaast heb ik een auto met een privé-chauffeur.”

Deze maand vliegt Verel terug (“Met verband en smeerseltjes, want daar doen ze een moord voor”). Hij verwacht binnenkort een of meer landgenoten te kunnen begroeten. “Ik heb links en rechts van Oezbeekse clubvoorzitters de vraag gekregen of er meer Nederlandse coaches beschikbaar zijn.” Als die exodus naar een nieuw beloofd voetballand op gang komt, heeft Hans Verel er - als voortrekker - nog een reden bij om zich op de borst te slaan.

mailIcon print |