*

 
dossier

Archief

Nederlandse ontdekkingsreiziger-diplomaat fotografeerde het pure Arabië

AGNES AMELINK − 07/01/95, 00:00

Een diplomaat ontdekt Arabië. Tropenmuseum Amsterdam, t/m 19 maart. (Daarna zullen de foto's tentoongesteld worden in het nationaal museum van Sana'a, Jemen.)

Van der Meulen, die lange tijd als gezant in Nederlands-Indië en in de Saoedische havenstad Djedda werkte, is een van de eerste westerlingen die het gebied van de Hadramaut bereisd hebben. De Hadramaut is een wadi in het bergachtige deel van het Arabisch schiereiland dat tot voor kort als Zuid-Jemen werd aangeduid. In de tijd dat Van der Meulen erheen reisde, viel het onder de Britten die in Aden zaten, maar de stammen in het achterland gingen dikwijls hun eigen gang.

MULTATULI

Zijn belangstelling voor dit afgelegen oord deed Van der Meulen op in zijn Indische tijd. Als zoon van een gereformeerde onderwijzer uit de Achterhoek was hij door Multatuli én de verhalen over de zending al jong in de ban geraakt van Nederlands Indië en op zijn eenentwintigste had hij zijn eerste baan als bestuursambtenaar op Sumatra. Toen hij, na te zijn opgeleid door de vermaarde islam-kenner Snouck Hurgronje, in 1926 werd aangesteld als consul te Djedda, zag hij zijn kans schoon om meer te weten te komen over de hadramieten, die hij in Indië als buitenlandse werknemers had leren kennen. De arme inwoners van ooit welvarende steden als Teriem, Sjibam en Seiwun trokken naar Indië om daar geld te verdienen. Als nieuwe rijken keerden ze terug naar hun geboortegrond, waar ze huizen voor hun familie bouwden, maar ook scholen en andere openbare voorzieningen. In het verslag van zijn tweede expeditie naar de Hadramaut (Onbekend Arabië, 1951) schrijft Van der Meulen enthousiast over de moderne school die de familie Al Attas in Hureida heeft gebouwd en onderhoudt. “Sajjid Hamid Al Attas geeft er reken- en tekenonderricht en gebruikt daarbij als leidraad natuurlijk schoolboekjes uit Java.” (De huidige minister van buitenlandse zaken van Indonesië, Alatas, geldt als een nazaat van dezelfde hadramitische familie!).

KOEPELDAKJES

Niet alle vooruitgang die Van der Meulen tussen zijn eerste tocht in 1931 (via Makalla) en 1939 (vanaf Aden via Sjakra over land) in de steden en dorpen van de wadi tegenkomt juicht hij even hartelijk toe. Misprijzend beschouwt hij huizen in een 'westerse naüapstijl' en de verfraaiing van een oude burcht in Seiwun met duidelijk uit Indië afgekeken koepeldakjes kan hem evenmin bekoren. Over de ontmoetingen met de families, waarvan hij sommige nog uit Indië kent, is hij warm. De gastvrijheid van de hadramiet is net als die van de Arabische stamhoofden (een enkele uitzondering daargelaten) boven alle lof verheven.

Van der Meulen en zijn Duitse kompaan Von Wissmann zijn natuurlijk niet alleen voor eigen geneugten op pad gegaan. Officieel was het in kaart brengen, fotograferen en het verzamelen van planten en gesteenten in het deels nog onbekende gebied hun missie, maar Van der Meulen zeker had ook een politieke bedoeling: de wankele vrede in dit Britse protectoraat bevorderen. In zijn boek verhaalt hij op een toon die anno 1995 ondenkbaar is hoe hij zijn vrienden in de Hadramaut telkens weer wijst op het belang van de aanwezigheid van de Britten. Het westen als brenger van vrede en voorspoed.

In Engelstalige publikaties over dit deel van Arabië duiken Van der Meulens boeken altijd nog op in de literatuurverwijzingen. Gek genoeg lijkt hij in Nederland zes jaar na zijn dood al helemaal verdwenen. Het is me meer dan eens overkomen dat gerespecteerde tweedehandsboekhandels fijntjes lieten weten Van der Meulens werk als tweederangs lectuur te beschouwen. Het Tropenmuseum, dat in 1988 de negatieven van Van der Meulens prachtige foto's erfde, zet in het persbericht over de tentoonstelling het woord 'ontdekkingsreiziger' tussen aanhalingstekens. Terwijl het nu toch ook weer niet zó gewoon was om in de jaren twintig en dertig zulke onherbergzame streken te bezoeken.

mailIcon print |