*

 
dossier

Archief

dans

EVA VAN SCHAIK − 24/01/98, 00:00

AMSTERDAM - Keurig Frans opgevoed en door ballet afgericht als zij is, ontvangt Desirée Delauney haar publiek doorgaans met een woord van ontvangst. In 'Countdown', haar nieuwste solo, doet ze het minder beschroomd dan anders. Uitdagend heupwiegend op rode laarsjes en gehuld in een zwart corselet hijgt ze haar Engels met Franse tongval in de microfoon. Wil ze afrekenen met haar publieke imago ?

Van de twintig jaar dat zij al danst, heeft ze de laatste tien jaar haar hart aan het Nederlandse publiek gegeven. Ze deed dat in talloze gedaanteverwisselingen, nadrukkelijke bescheiden, hartstochtelijk smekend, dartel huppelend en altijd weer die melancholisch smachtende blik.

Niet alleen haar dwingende ogen zijn tot bedwelmen in staat. In haar slanke, ranke lijf met die lange nek, vingers en perfecte balletwreven gaat een raadsel schuil, want in haar etherische kwetsbaarheid herbergt zij de magie van een meedogenloze kracht. Sommigen zien in haar geëxalteerde pathos te veel pretenties en egotripperij. Op mij maakte het altijd grote indruk.

Nu acht Delauney (1957) het moment gekomen dat ze nog eenmaal - als archeologe van haar jarenlange zelfonderzoek - in haar geheugen wil dwalen, op zoek naar het hart dat haar bewoog. Dus nam ze restanten, door haar scherven genoemd, uit voorgaande voorstellingen, waaronder 'Je, au pluriel', 'Alcool' en 'Zero'. Want hoewel ze in die solo's het nulpunt of de bodem van haar danserschap wilde bereiken, erkent ze dat het schrappen van elke overbodigheid nog verder kan gaan. Countdown is daarom een vorm van onthechting: het aftellen naar een nieuwe fase. Niet van haar lichaam maar van dat kloppende hart moet publiekelijk afstand gedaan worden, wil ze weten waarom ze haar publiek nodig had. Dus probeert ze haar eigen publiek te worden, en biedt ze zich aan om haar hart aan haar voeten te leggen.

Daartoe perst ze haar kronkelende lichaam in het keurslijf van balletposes, begeeft ze zich als wankelmoedige circusartieste op een denkbeeldig koord. Met haar armen wapperend als de stervende zwaan zweept ze zichzelf op tot een razende propellor. Het is haar rekenschap van haar opleiding tot ballerina, waarvan ze diep in haar hart nooit afstand kon nemen. Venijnig stampt ze op circusmuziek de vonken uit haar rode hakken, rukt het keurslijfje af, verliest zich in krampachtig gestuip en zijgt in euforie op twee tegen elkaar geschoven stoelen.

Daar, als een courtisane achterovergelegen in wit gaas, laat zij het hart uit haar lichaam nemen. In Delauney's eigen woorden: een hart in de vorm van een zwarte lotus, met bloedende bladeren. Nogmaals gaan alle remmen los, exposeert zij grommend als een tijgerin haar drift met roterend bekken in geel-zwart bont. Een verzaligde glimlach breekt door haar geblankette wangen, terwijl Otis Redding 'I've been loving you to long to stop now' aanheft. Dus moet ze nog verder met het strippen, zoals ze dat ook in 'Alcool' deed.

Naakt betast ze haar natuurlijke staat en huppelt het uit als een uitgelaten kind met het tanige lijf van een magere veertigjarige vrouw.

'Ik houd van rimpels', hoorde ik laatst Judith Herzberg zeggen. Voor mij geldt dat ook voor een rimpelloos, maar schonkig vrouwenlichaam dat zich zo ombarmhartig openhartig prijsgeeft.

De omslag kon niet uitblijven. Terug op de bank en omwikkeld met wit gaas richt ze haar smeekbede tot een kind. Moge dit kind haar het gebrek aan aandacht en zorg vergeven, haar niet vergeten. De sprookjesfiguren uit het ballet in wier ban ze verkeerde opsommend, legt ze haar liefdesverklaring als een schuldbekentenis af. C'est la maladie de l'amour, fluistert ze over haar heilige moeten. Wie Delauneys loopbaan volgde zal over dit nieuwe egodocument niet verbaasd zijn. Met de haar zo eigen combinatie van exhibitionisme, euforie en eerlijkheid won ze - opnieuw - mijn ontzag. Na twintig jaar geloofsbelijdenis kruipt ze nog steeds uit haar schulp, over dode punten heen. Een zwanenzang met open einde.

mailIcon print |