*

 
dossier

Archief

Inrichten is een vak

ROBBERT ROOS − 11/01/96, 00:00

Het inrichten van een architectuur-tentoonstelling is een wat gehandicapte exercitie. Architectuur gaat over ruimte en ruimtebeleving, gaat over schaal, materiaal, context, drie-dimensionaliteit. En dat laat zich moeilijk in een tentoonstellingszaaltje persen met afstandelijke plaatjes aan de wand, tenzij de foto's en tekeningen echt heel sprekend zijn. En ze moeten al helemaal niet hoog boven je hoofd hangen, zoals vorig jaar in het Rotterdamse Nederlands Architectuurinstituut (NAi) gebeurde bij een tentoonstelling over het bureau Brinkman & Van der Lugt/Van de Broek & Bakema.

Het architectuurinstituut doet van alles om aansprekende tentoonstellingen te maken, aan de inzet ligt het dus niet. Enorme decors worden gemaakt - soms lijkt de grote zaal wel een filmset - maar al dit uiterlijk vertoon kan niet verhullen dat het blijft gaan om plaatjes aan de wand. En ook nog om plaatjes die lang niet altijd makkelijk te interpreteren zijn. Zoals nu weer bij de tentoonstelling in het NAi over tien jaar Mies van der Rohe Pavilion Award. De eerste tien projecten gaat het nog wel en vergoedt het inlevingsvermogen van de kijker veel, maar bij het achtendertigste project is de fantasie op en geloof je die bouwtekening wel. Ook het geestesoog raakt ooit vermoeid.

En toch kun je een spannende architectuur-tentoonstelling maken, zo bewijst Renzo Piano in hetzelfde Rotterdamse instituut. Zijn tentoonstelling ter gelegenheid van het winnen van de Erasmusprijs is een klein avontuur, zoals zijn gebouwen ook kleine avonturen zijn. Piano heeft slechts een lange tafel nodig - en geen imposante decorstukken - om zijn zes projecten inzichtelijk voor het voetlicht te brengen.

Op die tafel liggen schetsen, fotomapjes, bouwtekeningen, kleine maquettes, constructie-onderdelen, anekdotes. Objecten kun je oppakken, door de fotoboekjes kun je bladeren en de schetsen, documenten en geschriften liggen in een overzichtelijke collage onder een glasplaat. Het is een soort doe-het-zelf-verkenningsreis door het recente oeuvre van de Italiaanse architect. Je kunt er oppervlakkig doorheen bladeren en kijken of je verdiepen in allerlei technische of constructie-details. Wie echt uithoudingsvermogen heeft, kan zich zetten aan een tafel boordevol boeken over Renzo Piano en zijn projecten of achter een computer kruipen met een aantal perspectivische en technische tekeningen van het Kansai Vliegveld in Japan. Een printer staat klaar om eventuele afdrukken te maken.

Het zijn maar zes projecten die Piano toont, de ruimte is nog geen kwart van de tentoonstelling in de grote zaal, maar het verschil is schrijnend. Beneden ga je van tekening naar tekening, totdat je niet meer weet wat bij wie hoort. Bij Piano ga je helemaal op in de belevingswereld van de architect. Bij Piano blijf je hangen, bij de Mies van der Rohe Award stap je gestaag door. Het 'echte' kun je nooit vervangen, maar Piano laat je er wel aan ruiken.

Renzo Piano is een man met zijn publiek in het hoofd, of hij nu een gebouw maakt of een tentoonstelling inricht. De inrichters van de Mies van der Rohe Pavilion Award gaat het om het presenteren van zoveel mogelijk projecten, niet om het presenteren van architectuur. Inrichten is een vak, het inrichten van een architectuur-tentoonstelling is een nog veel moeilijker vak. Renzo Piano kan het NAi wat dat betreft nog veel leren. Bijvoorbeeld dat een tentoonstelling er voor het publiek is en niet andersom.

mailIcon print |