*

 
dossier

Archief

Laatste nomaden Tibet kiezen voor een veilig huis

ANNELIE ROZEBOOM − 09/05/98, 00:00

LHASA - De man draagt een trainingspak en gymschoenen onder zijn traditionele Tibetaanse jas. Hij heeft net zijn tent opgezet, midden op de kale velden naast de grote weg die naar de hoofdstad Lhasa leidt. Nu is hij een muurtje aan het bouwen voor de eerste jonge geitjes van dit voorjaar. De tent, proviand en de geitjes droeg hij die morgen allemaal op zijn rug. Hij is verbaasd dat wij dat vreemd vinden. “Hoe moet het anders hier komen?”

Deze man, de 53-jarige Rinzindorje, behoort tot één van de laatste nomadenvolkeren ter wereld. Alleen in Tibet en Mongolië zijn nog echte nomaden over. En een steeds groter deel van hen, zoals deze man, heeft een vaste woonplaats gekozen.

Het vredig rondtrekken over de mooie bergen is minder ideaal dan het lijkt. De nomaden behoren tot de armsten ter wereld. Volgens de officiële regeringscijfers leeft een kwart van de twee miljoen nomaden onder de armoedegrens, ze verdienen omgerekend minder dan honderd gulden per jaar. De meesten hebben geen toegang tot medische voorzieningen. In de noordelijke gebieden is de gemiddelde levensverwachting van nomaden 46 jaar en één op de vijf kinderen sterft er aan ziekten of kou.

Deze volkeren zijn volkomen afhankelijk van hun yaks. Ze eten het yakvlees en van de melk maken ze boter. Die boter gaat in de beroemde yakboter-thee en in de lampen. De nomaden stoken de poep van de yaks, de huiden dienen voor kleding en de tenten waarin ze wonen worden bedekt met yak-haar. Eens per jaar gaan de nomaden naar de markt, waar ze een paar dieren verkopen. Met dat geld kunnen ze dan graan en andere benodigdheden voor de winter inslaan.

Voor Rinzindorje dienen de Tibetaanse koeien ook als een sociale verzekering. “Iedere keer als er iemand ziek is, verkopen we een yak. Dat levert 6 000 yuan op, afhankelijk van het jaargetijde. In het voorjaar zijn de dieren te dun, en krijg je veel minder. Als er dan iemand naar het ziekenhuis moet, proberen we geld te lenen.”

“Ik heb vijf kinderen, dankzij de doktoren zijn ze allemaal blijven leven,” zegt hij. “Als er iemand ziek is gaan we naar het ziekenhuis in Lhasa. Eerst moet je een waarborg van 2 000 yuan betalen en dan de rest van de rekening later.” Vorig jaar lag Rinzindorje zelf met een leveraandoening bijna een maand in het ziekenhuis. Dat kostte twee yaks. Nu is zijn dochter ziek. “Ze zeiden eerst dat ze iets aan haar lever had, maar nu lijkt het een hersenaandoening te zijn. Ze is al 17 dagen in het ziekenhuis, en er is geen enkele vooruitgang.”

Ondanks zijn moeizame bestaan, rekent Rinzindorje zich niettemin tot de gelukkigen. In zijn gebied komen geen natuurrampen voor. “We wonen vlak naast een heilige berg en de daardoor worden we beschermd,” verklaart hij. “Soms is er droogte, maar nooit heel erg.”

Dat is anders in het noorden van Tibet. Daar viel de afgelopen winter veel sneeuw en daalde de temperatuur tot min 37 graden. De nomaden verloren al hun dieren, want die konden niet meer bij het voedsel komen. Naar schatting stierven er vier miljoen yaks. De nomaden lopen nu zelf kans te verhongeren, is het niet nu, dan wel komende winter. Of en hoeveel mensen er zijn omgekomen, is nog steeds onbekend. Het Chinese leger en het Tibetaanse Rode Kruis, later gevolgd door buitenlandse hulporganisaties, stuurden konvooien vrachtwagens vol voedsel en kleding. De hulpverleners kwamen terug met verhalen over eenzame, half bevroren families in tenten, omgeven door duizenden rottende karkassen van wat vroeger hun veestapel was.

De sneeuw is inmiddels aan het smelten, maar de hulpverleners wijzen er op dat er iets structureels gedaan moet worden. De sneeuwramp herhaalt zich iedere vijf tot zeven jaar. Een Tibetaanse in Lhasa die dertig jaar doorbracht als districtleidster in dit gebied telt het aantal sneeuwstormen op haar vingers. “In 1985 begon het in oktober al te sneeuwen. In 1989 was het weer zover. En nu weer. We waren altijd op zoek naar geld om nieuwe yaks te kopen voor de mensen. Maar eigenlijk hebben ze gewoon huizen en betere kwaliteit gras nodig. Vooral dat laatste kost echter veel geld.”

Het regeringsbeleid is erop gericht alle nomaden tegen het jaar 2000 in ieder geval op Rinzindorje's niveau te brengen. Deze nomade bezit 120 schapen, veertig yaks en heeft een huis. De Chinese autoriteiten willen de nomaden het liefst allemaal onderbrengen en de nomaden zelf hebben daar niets op tegen. “Een huis gaat veel langer mee dan een tent,” vertelt Rinzindorje. “We hebben toendertijd veel yaks verkocht om het huis te bouwen. Maar we hebben er veel gemak van. Een tent moet je ieder jaar weer opnieuw kopen of maken. Ik vind niet dat we nu minder vrij zijn. Als we willen trekken, dan gebruiken we deze kleine tenten en gaan waar we willen. Iedere keer als er geen gras rond het dorp is, trek ik er een paar maanden met deze kleine tent op uit.”

De nomaden rond Lhasa mogen een redelijk bestaan hebben opgebouwd, de rondtrekkende volkeren in de Chinese provincie Qinghai, gedeeltelijk oud Tibet, voelen nu nog de gevolgen van eerdere pogingen hun op één plaats te laten wonen. Tijdens de politieke campagnes van Mao Zedong, werden de nomaden niet alleen gedwongen in een huis te gaan wonen, ze moesten ook akkers gaan bewerken. Ook probeerden de revolutionairen terrasvelden aan te leggen, in navolging van de modelcommune Dazhai, in de veel lagere en warmere provincie Shanxi. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts werden bomen omgehakt, omdat er dammen en irrigatienetwerken moesten worden aangelegd.

Het klimaat en het land bleek totaal ongeschikt voor akkerbouw en de poging een einde te maken aan het nomadenbestaan van de bevolking zorgde in Qinghai voor een woestijn die nu 400 000 hectare beslaat. De plaatselijke leiders planten er nu 340 miljoen bomen. Ze ontkennen ten stelligste ooit schade te hebben gebracht aan het Tibetaanse milieu. De provinciale autoriteiten verklaren dat de nomaden de armoede aan zichzelf te danken hebben. Ze zouden er te veel yaks op nahouden, en dat zou leiden tot overgrazing en erosie.

De Chinese politieke campagnes vonden ook een weg in het leven van Rinzindorje. “De kaderleden kwamen en we moesten alle yaks samen zetten en zo een commune stichten. Natuurlijk gehoorzaamden we, maar er werd niet erg hard meer gewerkt.” Nog erger dan de slecht lopende communes, was het verbod op religie tijdens de Culturele Revolutie. “Rode Gardisten zeiden dat we alle boeddhabeelden, tanka's en bidmolens moesten verbranden. Dat brak ons hart. We waren bang dat de goden boos zouden worden en dus baden we stiekem.”

mailIcon print |