*

 
dossier

Archief

Woede in Lübeck

HANS MARIJNISSEN − 19/01/96, 00:00

LÜBECK - Dat had hij beter niet kunnen zeggen. Burgemeester M. Bouteillier van het Duitse Lübeck heeft de gehele middag met zijn burgers gerouwd. Bemoedigende woorden gesproken. En nu de stille tocht naar het uitgebrande pand aan de Hafenstrasse ten einde loopt, waagt hij er op te wijzen dat de oorzaak van de brand nog niet vaststaat, dat er ook sprake kan zijn van kortsluiting. Hij wordt weggejóéld: “Arschloch!”

Die verklaring van de brand gaat er bij de deelnemers aan de stille protesttocht niet in. Getuigen hebben zelf gezien dat er 's ochtends op de eerste, de tweede en op de zolderetage beginnende branden waren. Als er op slechts één kamer kortsluiting was, of als er ergens in het pand een kacheltje was omgevallen dan waren er toch niet tien doden en veertig gewonden? De stoet wil voorlopig best in het midden laten waardoor de brand is ontstaan - laat de politie en de brandweer het maar uitzoeken - zolang de burgemeester zijn mond dan houdt over kortsluiting. Lübeck gelooft in die brandstichting. Zo moet het gebeurd zijn. De drie jongens met een kortharige aanvoerder en een Bomberjack aan, stonden immers toch gewoon op de hoek te kijken toen de zaak in de hens vloog. Maar waarom? De stad van 220 000 inwoners heeft niet meéér allochtonen dan andere steden en met de verpaupering valt het ontzettend mee. Toch waren er het afgelopen jaar al twee pogingen tot brandstichting bij de plaatselijke synagoge en nu dit.

Wie had er last van deze mensen, vraagt hij zich af. Ze woonden notabene in de haven. De grote villa aan de Hafenstrasse staat inderdaad zo geïsoleerd dat je je afvraagt dat als er sprake is van brandstichting hoe de daders het hebben kunnen vinden. Pal naast de afgemeerde coasters, achter de loodsen van corn flakes-fabrikant Brüggen, staat opeens die ooit statige villa met ornamentjes aan de bovenkant van de kozijnen. Dit gebouw hoort hier niet, lijkt het. Een chique villa met een goederenlijn voor de deur.

Zoeklichten beschijnen tot diep in de nacht de gevel. De wilg voor het pand heeft er nog nooit zo treurig bijgestaan: het bevroren bluswater heeft voor duizenden tranen gezorgd. Het is onduidelijk waar de rook ophoudt en de mist begint. Enorme kranen laten bakjes met hulpverleners via het dak naar binnen zakken, een metalen stem uit de luidspreker geeft aanwijzingen.

“We kunnen nog steeds niet naar de tweede verdieping”, zegt een brandweerman. “De lichamen die we daar toch hebben kunnen bergen, zagen we daar door de ramen liggen en konden we van buitenaf naar ons toetrekken. Op zolder kunnen we al helemaal niet komen. Het dak is het probleem niet, maar de vloer. Een deel is al ingestort.”

De metalen stem geeft het bevel dat de gondel direct moet worden opgehesen. Een raam op de tweede wordt weer oranje. Nog steeds willen smeulende resten oplaaien tot het vuur zoals gisterochtend.

Waren er bij de stille tocht een paar honderd burgers, ervoor en erna bezoeken tientallen Lübeckers de plek aan de Gertrudenstrasse. Niet minder indrukwekkend. Een agente heeft waxinelichtjes in de vorm van een kruis gelegd. Overal branden kaarsen: op straat, op de stoeprand, bij de kransen en bloemen die aan het hek van de villa zijn gehangen. Een kind vraagt haar moeder wat die bloemen daar moeten. “Er zijn hier veel mensen doodgegaan, ook kinderen. Net als jij”.

Haar leeftijdsgenoten hebben een plakkaat opgehangen met de tekst: 'Wir können es nicht verstehen'. Reinhold Schröder is geen kind meer, maar ook hij heeft alleen maar vraagtekens. “Zat ik zoëven naar RTL te kijken, zie je drie minuten Lübeck en dan zegt de omroeper: 'en nu het weer!' Waar zijn we mee bezig? Ik vroeg mijn zoon of hij ondanks het journaal lekker had gegeten. Hij knikte nee. Ik zei: “Maar niemand ligt wakker van slechts een rokende villa waarin tien Afrikanen zijn omgekomen.”

En met een uitgestoken vinger naar het smeulende pand: “Weet je wat dit is? Dit is fascisme met drank op en ik voel me vreemdeling in eigen land”.

mailIcon print |