*

 
dossier

Archief

De planting Gods groeide ons zowat uit de oren

AGNES AMELINK − 21/10/97, 00:00

KAMPEN - In de gebouwen van de theologische universiteit is het stil. De smetteloze gangen voeren langs lege collegezalen. In de koffiekamer begint de bezoeker haast automatisch te fluisteren. Klopt hier het theologische hart van de Samen op Wegkerken?

Zo ziet Kampen het zelf in elk geval graag. Van een in de vorige eeuw door de afgescheidenen opgerichte 'school' groeide Kampen deze eeuw uit tot een in eigen kring gezaghebbend en gerespecteerd instituut. Kerkscheuringen en secularisatie hebben het gereformeerde bolwerk van weleer echter aangetast en nu is de opleiding op zoek naar een nieuwe rol. Men heeft die ook gevonden. Kampen wil zich de komende jaren profileren als dé opleiding van de toekomstige Verenigde protestantse kerk. Op 1 januari 1997 was de erkenning als SoW-opleidingsinstituut alvast een feit.

IJverig worden nu hervormde lappen op het gereformeerde jasje genaaid. Maar onlangs beklaagde deeltijdstudente Anja de Vries zich nog over het ongemak als hervormde te studeren aan een gereformeerde universiteit: “Dat was ontzettend wennen in het begin. De hervormden werden gelijk met de belijdenis om de oren geslagen en we waren nog maar nauwelijks binnen, of de planting Gods groeide ons zowat uit de oren.” In het Westen heb je zulke gereformeerden niet meer, schreef zij in Communiqué, het blad voor leden van de Kamper universiteitsgemeenschap.

De oma van Gerdien Swillens (19, net begonnen) was wel een beetje geschokt dat haar kleindochter uitgerekend in Kampen theologie ging studeren. “Haar dominee had gezegd dat ik beter naar Apeldoorn (de christelijke gereformeerde opleiding) had kunnen gaan.” De oma van Henk Steenwijk (27, hoopt in '98 af te studeren) knipt trouw de artikelen van emeritus hoogleraar Klaas Runia uit het Friesch Dagblad voor haar kleinzoon. Een wekelijkse portie degelijkheid.

De oma's vertolken de zorgen die oudere gereformeerden hebben om de predikantsopleiding. Wat leren ze tegenwoordig allemaal in Kampen? Waar is de onversneden gereformeerde leer gebleven?

Klaas Zwanepol, sindskort hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, daarvoor jarenlang in Kampen: “Vanaf de oprichting stond theologie in Kampen voor 'kerkelijke theologie'. Er was een duidelijk engagement met de kerken, zonder dat het aan kritische afstand ontbrak. Dat gaf een zekere eenheid aan het theologiseren. Die is er - jammer genoeg - zo niet meer.”

Prof. C. Houtman, rector: “Betrokkenheid bij de kerk houdt in de bereidheid om je te verantwoorden. Enerzijds is er de formele binding aan de belijdenisgeschriften; door die te ondertekenen betuig je respect aan degenen die de traditie hebben gevormd. Anderzijds moet je de historische documenten historische documenten laten. Niet de clichés herhalen, maar zorgen voor de authentieke vertolking van het Evangelie in deze tijd. Wat ons daarbij parten speelt is dat onze visie op de Schrift niet meer kant en klaar ligt. We moeten zoeken naar de antwoorden die nu op ons afkomen.”

Het is stil aan de Koornmarkt, maar achter de gesloten deuren wordt hard gewerkt. Het eindeloze debat van de jaren zeventig, toen de docenten iedere komma moesten verantwoorden in het licht van hun politieke en maatschappelijke stellingname, is verstomd. Studenten zijn druk met studiepunten vergaren, het wetenschappelijk personeel druk met de begeleiding. Bovendien moeten de docenten er door publicaties en promoties voor zorgen dat Kampen blijft meetellen in de wetenschappelijke wereld. De kerkhistoricus, de exegeet, de ethicus, ieder spant zich in op zijn eigen vakgebied.

Al deze ijver in afzonderlijke vertrekken kan het gebrek aan eenheid echter niet verhullen. Negendejaars Henk Steenwijk: “Je kunt op maandag college hebben over de kruistheologie van Luther, hoe belangrijk die is. Kom je de volgende dag bij de nieuwtestamenticus, dan krijg je te horen: 'de opstanding, ach'. Eén achterliggende centrale geloofsinhoud, daar wordt niet over gesproken. Alle docenten zitten op hun eigen kamer hun eigen onderzoek te doen. Je wordt als het ware voor de leeuwen gegooid.”

Rector Houtman weet wel van gezamenlijkheid. In maandelijkse stafvergaderingen wordt daaraan gewerkt. Anders dan de VU, die haar eigen gereformeerde wortels weer lijkt op te zoeken, zegt hij, is Kampen gericht op de toekomst. Op de breedte van de Samen op Wegkerken.

Houtman: “En het aardige is dat het hier niet in compartimenten verdeeld is, zoals bij de hervormden. Ondanks meningsverschillen blijven docenten bij ons altijd met elkaar in gesprek. De kerkelijke theologiebeoefening op rijksuniversiteiten is veel meer een zaak van een inner circle. Wat wij hier doen roept commotie op; waar vind je dat elders, behalve aan de VU? Daardoor kan het uiteindelijk tot zinvolle gesprekken komen. Bijvoorbeeld over wat verzoening nu betekent. Hoe is de verhouding tot de dogmata. Leven we misschien bij karikaturen van belijdenis en dogma?”

Zeg Kampen, zeg commotie, zeg Den Heyer. Zo'n boekje over de verzoening geeft in de wetenschappelijke staf zeker discussiestof, zegt Houtman. “Al zijn de vragen die eruit voortkomen eigenlijk interessanter dan het boek zelf. Die vragen hebben alles te maken met de verhouding tussen Schrift en Traditie.”

Dogmaticus Gerrit Neven ging in Communiqué overigens wel in op 'Verzoening'. Hij had in het omstreden boek eigenlijk niet zoveel nieuws gelezen. “Wat mij echter radeloos maakt is dat Den Heyer, voorzover ik hem volgen kan, het vreemde, het ongewone uit Jezus van Nazareth wegneemt.” Neven spreekt van een “overreactie op de dogmatiek, een voorbeeld van bijbels theologiseren, dat zich door een vreemd dogmatisch Christusbeeld dat hij blijkbaar uit de traditie leest laat ringeloren”.

Den Heyer moet er nog op reageren.

Intussen zijn de curatoren, namens de synode belast met het toezicht op de opleiding, bezig met een rapport over de kwestie. Zij doen dit naar aanleiding van de brief van 92 predikanten, die menen dat Den Heyers kijk op de verzoening hem ongeschikt maakt voor het ambt van kerkelijk hoogleraar.

Hoewel Houtman wel meer verontruste reacties heeft gehad, heeft hij desondanks niet de indruk dat de zaak de gemoederen echt bezig houdt: “In onze kerken heeft men wel andere zorgen. Hoe houden we het hoofd boven water, bijvoorbeeld. Velen redeneren 'we kunnen ons niet de luxe permitteren ons hier heel erg druk over te maken'.

In de kerk leeft vooral de vraag van 'hoe houden we een vitale gemeente?'. We leven in een tijd van malaise; het is niet duidelijk wat de kerk mensen meegeeft. Iedereen kan z'n eigen geloof samenstellen; dat is de tijdgeest. 'De kerk moet weer duidelijk worden', hoor je in dit verband wel. We staan voor de noodzaak om wat men christelijke waarheden noemt te interpreteren voor deze tijd.''

Hoe die interpretatie uiteindelijk zal uitvallen, is lastig te voorspellen. Voor eerstejaars Gerdien Swillens lijkt het er ook weinig toe te doen. “Ik vind het juist leuk om zelf antwoorden te zoeken op de vragen die ik heb”, zegt ze. Ze “gelooft zeker in God”, maar weet ook “dat je niet moet schrikken als je heel veel twijfels krijgt”. Dat Kampen, gekozen vanwege de kleinschaligheid, niet meer exclusief gereformeerd is, vindt ze in elk geval bevrijdend. Of ze later ooit predikant zal worden kan ze nog niet zeggen. Ze zal wel zien.

Henk Steenwijk ambieert het ambt voorlopig zeker niet. Als hij uiteindelijk afstudeert wil hij daarna nog promoveren. In 1988 kwam hij, zoals hij zelf zegt, binnen met een heel stel waarheden, maar dat is veranderd: “Ik dacht niet na.” Het geloof in God is wel gebleven. “Dat is een soort gevoel. De laatste waarheid kun je toch niet verstandelijk beredeneren.”

De talrijke oudere studenten hebben andere zorgen. Zij zoeken in Kampen vooral naar wat ze in de praktijk kunnen gebruiken. “Bij sommige vakken is die lijn moeilijk te trekken”, schrijft Anja de Vries, die haar studie combineert met een 38-urige werkweek in twee verpleeghuizen. “Dan krijg je te horen dat dit onderwijs nu eenmaal academisch is - wat naar mijn ervaring een excuus is om de dingen niet te hoeven uitleggen.”

Volgens Zwanepol hoeven kerkelijkheid en wetenschappelijkheid elkaar niet te bijten. Daarbij gebruikt hij graag het beeld van de theoloog als een koorddanser. Staand in een gelovige traditie moet hij of zij serieus verwerken wat de wetenschap oplevert. Het is dan de kunst er nog aan de ene noch aan de andere kant af te vallen. Zo zou de universiteit volgens hem ook ten opzichte de kerk moeten staan: kritisch maar betrokken. Belangrijker dan de invloed van de kerk op de opleiding is dat de theologie inhoudelijk blijk geeft van dit kritisch-kerkelijk engagement.

mailIcon print |