*

 
dossier

Archief

Chailly en Concertgebouworkest dringen met rust door in weinig gespeelde Zesde van Bruckner

PETER VAN DER LINT − 08/02/97, 00:00

Nog: zondag om 14.15 uur (tevens rechtstreeks op radio 4) en in combinatie met Mozarts pianoconcert KV 217 in Amsterdam (13), Groningen (20) en Birmingham (23)

Deze gegevens staan na te lezen in het boek 'Bruckner en het Koninklijk Concertgebouworkest' (zie hiernaast), dat vrijdagavond werd aangeboden aan Chailly, de vaandeldrager van de Bruckner-traditie in Amsterdam. Het was de allereerste keer in zijn carrière dat Chailly deze symfonie van Bruckner dirigeerde. Hij trad de partituur met ontzag en diep respect voor de componist tegemoet. Dat viel in elk geval op te maken uit de behoedzame, terughoudende wijze waarop Chailly zijn eerste Zesde tot klinken liet komen.

De diepte en bezonkenheid die sinds Chailly's eerste Bruckners in Amsterdam (in 1988 begon hij met de Derde en de Vierde) in zijn directie is gekomen, deed deze Zesde schitterend opbloeien. Hij is inmiddels bijna tien jaar ouder en heeft zich goed kunnen verdiepen in de Amsterdamse Bruckner-traditie door onder andere grondig studie te maken van de Mengelberg-partituren in Den Haag. De precisie die de Italiaanse chefdirigent van zijn musici eist, is gebleven, maar steeds meer vindt hij ook achter perfect uitgevoerde triolen de sfeer en de rust om Bruckners soms raadselachtige noten betekenis te geven.

Vanuit het niets

Chailly nam de tijd voor het eerste deel waardoor Bruckners maestoso-aanduiding mooi kon uitkomen. De grote forte-uitbarstingen, zo karakteristiek voor Bruckner, kwamen donderdagavond vanuit het niets; zonder stampvoet, zonder vervaarlijk gesnuif, maar meer alsof op zijn teken ineens de deurtjes van de zwelkast van een groot orgel openklapten.

Binnen de grote lijn die in dit eerste deel werd vastgehouden, waren er schitterende details te horen zoals een plotseling pizzicato van de tweede violen of de accentuering die de eerste violen wisten aan te brengen in het voortdenderende slotgeweld.

Absoluut hoogtepunt was het adagio. Velen moeten de rondwarende geest van Jochum (die de Zesde in 1980 hier dirigeerde) hebben gevoeld. In schitterende samenwerking met (vooral) zijn strijkers, die Bruckners instructie: markig lang gezogen perfect realiseerden, plaatste Chailly zich met dit adagio bij de besten in de Amsterdamse Bruckner-traditie. Een uitzonderlijke ervaring waarin het tekenend was dat hij geen precieze downbeat gaf op het slotakkoord, maar rustig zijn armen opende om de klank als het ware door te laten.

Komisch

Het Scherzo klonk vanwege een opvallend langzaam tempo heel lucide met in het Trio uiterst komisch uitkomende strijkerspizzicati en hoornsignalen die het midden hielden tussen Tirol en het Wenen van Strauss' pizzicato-polka's. In het problematische laatste deel kon Chailly niet geheel overtuigen, maar welke dirigent heeft ooit de juiste balans gevonden tussen die tetterende koperfanfares die nergens in uitmonden en dat speelse rococo-thema? Bruckner op zijn minst en op zijn malst, maar Chailly en het orkest wisten er de heerlijke herinnering aan de eerste drie delen niet mee uit.

Voor de pauze zong bariton Matthias Goerne vijf Goethe-liederen van Hugo Wolf. Het oorspronkelijk geplande altvioolconcert van Bartók (in de versie voor cello) kon geen doorgang vinden, omdat de erven Bartók geen toestemming wilden geven aan die uitvoering. De combinatie Wolf-Bruckner werkte echter uitstekend. Wolf zei ooit dat hij één bekkenslag van Bruckner prefereerde boven een hele symfonie van Brahms; in die tijd een gewaagde uitspraak. Goerne zong met name de drie 'Harfenspieler'-liederen (met de harp prominent vooraan in het orkest) heel erg mooi. Ook hier die behoedzame, doch prachtige begeleiding door Chailly.

mailIcon print |