*

 
dossier

Archief

Geurts voert zoveelste kruistocht voor erkenning

ESTHER SCHOLTEN − 29/01/98, 00:00

AMSTERDAM - Een krachtige handdruk, gevolgd door een hulpeloos gebaar. “Ik ga in beroep tegen de beslissing van het Nederlands Olympisch Comité om mij niet af te vaardigen”, klinkt het op stellige toon. Waar? Tsja, dat weet Rob Geurts ook nog niet. De gedreven sporter zit gevangen in een wereld waarin logge bureaucratie, juridische regeltjes en 'onbegrijpelijke' limieten de dienst uitmaken.

De vraag is nog niet uitgesproken of de helpende hand reikt zich aan. Geurts portable telefoon rinkelt; de Bobsleebond Nederland (BSBN) aan de lijn. De bestuurders hebben besloten zijn stap te steunen en zullen morgen namens hem en de ook afgewezen Arend Glas (viermansbob) een bezwaarschrift indienen bij het NOC-NSF. Volgens de BSBN vereisen de reglementen dat een speciale commissie van de nationale sportkoepel het beroep binnen drie dagen behandelt. Maar Marcel Sturkenboom van NOC-NSF ontkent, aldus het persbureau ANP, de mogelijkheid van beroep.

Het gebruinde gezicht staat zorgelijk op deze grijze ochtend. “Ik ben uit mijn gewone doen. Voor het eerst sinds maanden ben ik niet met de bob en wedstrijden bezig. Er mist iets.” Tijd voor een slok koffie gunt hij zich nauwelijks. Geurts voelt zich miskent, zegt hij ernstig. Behandeld als een lachertje. De kwestie zit hem hoog. Vier jaar lang afzien 'en maatschappelijk stilstaan' met maar één doel: Nagano. Dat laat hij zich niet op het nippertje ontnemen door een paar 'ongeïnteresseerde en onkundige bobo's'. Geurts struikelt bijna over zijn woorden van woede.

Aan strijdlust heeft het de 38-jarige bobber nooit ontbroken, maar hoe terecht zijn de beschuldigingen? Het NOC-NSF, in het verleden nog wel eens gekscherend een veredeld reisbureau genoemd, hanteert tegenwoordig een strenger kwalificatiebeleid. Chef de mission Ard Schenk kondigde het na de vorige Winterspelen in Lillehammer - waar Geurts met zijn tweemansbob teleurstelde met een 24e plek - al aan: te veel sporters hadden toen in zijn ogen het voordeel van de twijfel gekregen. Nu is een eis een eis.

Geurts en remmer Marcel Welten hadden de opdracht om bij een wereldbekerwedstrijd de beste twaalf te halen van het 'geschoonde' klassement (dus zonder vermelding van de derde teams van een land). Dat lukte hen niet. Jammer, maar dan gaat het sportfestijn aan hun neus voorbij, vindt het NOC-NSF. Eerlijk toch? Nee, meent Geurts. Met een plof belandt een stapel paperassen op het gammele tafeltje. Uitslagenlijsten en gegoochel met cijfers in een Amsterdams café. “Ik wil dat je dit begrijpt.” Bij herhaling onderbreekt hij zijn betoog: “Vind jij ook niet?” De sportschoolhouder uit Nieuwegein smeekt haast om gelijk.

“We moesten steeds in de derde groep starten. Deze week zegde de internationale bobsleebond ons toe dat we in Nagano eventueel in de tweede groep kunnen starten. Hadden we bij de wereldbekerwedstrijden een kans gekregen in de tweede lichting, met beter ijs, dan hadden we zeker aan de eis van het NOC-NSF voldaan.” Vier jaar geleden mocht hij op het laatste moment wel naar Lillehammer. Hij kreeg het voordeel van de twijfel, maar bleef steken in louter goede bedoelingen. “Mijn optreden daar zal nu wel hebben meegespeeld in de beslissing. En dat is onterecht, in vier jaar is er veel veranderd.”

Een goede prestatie leveren, is er de afgelopen jaren niet gemakkelijker op geworden. De internationale concurrentie is aanzienlijk toegenomen, zegt Geurts. Meer teams, grotere budgetten. “Vroeger had ik bijvoorbeeld geen last van de Japanners, nu bieden ze goede tegenstand.” Ook hijzelf is vooruitgegaan, een wetenschap die de lege koffers des te wranger maakt. “De start is verbeterd en de tijden zijn sneller. We hebben er nog nooit zo dicht bijgezeten als nu, ondanks het sterkere deelnemersveld.”

“Het NOC-NSF snapt dat niet, heeft geen idee waar ik al jaren mee bezig ben, kijkt alleen naar klasseringen, terwijl de tijd bepalend zou moeten zijn. Vaak zit ik maar een paar tienden van een seconde achter de toptien, waarmee ik maar wil zeggen: waar praten we in godsnaam over.” Deze redenering is echter om te draaien. Geurts bladert in zijn papieren. Wat bedremmeld: “Inderdaad is het verschil tussen ons en de nummer 25 ook heel klein. Maar die gaan wel naar de Spelen.”

Bovendien vindt hij de gestelde limiet so wie so 'een onzinnige opdracht'. “Veel van die jongens hebben miljoenen tot hun beschikking. Ik ben maar een amateur.” In de formule 1-tak van de wintersporten zijn budgetten vaak doorslaggevend. Geurts, niet gehinderd door enige bescheidenheid: “Een paar wedstrijden heb ik desondanks alle Oostenrijkers achter me gelaten. Dan ben je toch verdorie wel een bobsleeland. We hebben nu zes teams die aan internationale wedstrijden meedoen, vier jaar terug nog maar één. Wat lopen ze nou te zeuren? De miskenning van het bobsleeën hier slaat nergens op.” Dé manier om deze groei ongedaan te maken, is het op zak houden van olympische tickets, waarschuwt hij de sportkoepel. “Als de nieuwe jongens vantevoren al weten dat ze nauwelijks kans maken op de Spelen, dan stoppen ze toch direct.”

Geurts is al twintig jaar het gezicht van de bobsport in Nederland. Een enthousiaste en fanatieke voorman, met een hier zelden vertoonde toeweiding. Tegenslagen kende hij in zijn lange carrière genoeg. Sarajevo, Calgary, Albertville gingen allemaal aan zijn neus voorbij. Maar opgeven, dat nooit! “Wie in Nederland in een bobslee kruipt, is eigenlijk gek. Het onbegrip is groot, de historie klein. Je moet kunnen doorzetten. Niet één heuvel over, maar tien. Lukt je dat dan ben je voor jezelf al een winnaar.” Eigenlijk had hij na Nagano met 'pensioen' willen gaan. Een afscheid in stijl. Nu twijfelt hij weer.

“Ik heb dit jaar genoten van mijn bobslee en ben hardstikke trots op mijn prestaties. Ik verdien respect van het NOC-NSF in plaats van een tien minuten durend overleg. Eén keertje is Schenk komen kijken, verder niemand. Ook geen telefoontje, briefje, niks. In Nederland is het alleen maar schaatsen, schaatsen, schaatsen.”

Tussen de andere bobbers voelt hij zich nu een buitenbeentje. Nederland is het enige land dat meedraait in het wereldbekercircuit en niet met een team naar de Spelen gaat. “Waarom stelt het Nederlands Olympisch Comité zulke andere eisen dan de rest van de landen? Zelfs de Noren hebben clementie gekregen van hun bond, terwijl ze nooit voor ons zijn geëindigd. Sport moet een stukje amusement zijn. Het is voor het publiek toch hardstikke leuk om Nederlanders bezig te zien. En wij zouden echt geen schande zijn voor het vaderland. Als we nou in de achterhoede zouden zitten, maar verdorie we zitten er vol bij.”

mailIcon print |