*

 
dossier

Archief

opera

PETER VAN DER LINT − 03/02/97, 00:00

Deze maand te zien in Nijmegen (6), Leeuwarden (8), Arnhem (11), Rotterdam (14 en 16), Den Haag (18), Utrecht (20), Groningen (22), Amsterdam (25), Maastricht (27) en Eindhoven (1 maart).

In Wagners opwindende werk over het spookschip van de Hollander moest Minkowski wel roeien met de riemen die hij had: het Orkest van de Messiaen Academie, bestaande uit ouderejaars studenten van de conservatoria van Oost Nederland. Met die riemen moest hij bovendien oproeien tegen een overdadige stroom van beladen symbolen, die regisseur Peter te Nuyl voor zijn (ook al) eerste Wagner-regie bedacht had.

Het leek in het begin onbegonnen werk, maar uiteindelijk overtuigde de productie muzikaal vanwege Minkowski's tomeloze inzet, de welwillende energie van de jonge musici en enkele fraaie solisten. Muzikaal kan de productie in de komende tournee alleen maar groeien. Gezien de hobbelige voorbereidingen (het was organisatorisch een hele kluif om alle musici voor de repetities bij elkaar te krijgen) was het nog een wonder dat een en ander tijdens de luid bejubelde première zo goed klonk.

Zeker, er waren regelmatig ontsporingen in de bak en menige orkestratie-vondst van Wagner ging ten onder in intonatieproblemen, maar die balanceerkunst op het randje van mislukken en slagen had iets ongemeen spannends. Luctor et emergo! Aan het eind van deze wilde spookvaart door Nederland zou er nog wel eens iets wonderschoons kunnen ontstaan.

Met de inzet van de ouverture spoot Minkowski van het startpunt weg om in deze race zonder keerpunten (er was geen pauze) binnen de twee uur de finish te halen. Men speelde Wagners allereerste versie uit 1841, waarvoor de Nationale Reisopera speciaal het orkestmateriaal heeft laten drukken. Een verlate wereldpremière dus van Wagners oorspronkelijke ideeën omtrent de Hollander. De voortvarende directie van Minkowksi paste deze eerste partituur prima; een partituur die lichter en transparanter is. Een partituur ook die de zangers veel meer dynamische ruimte geeft, waardoor ze niet zo de strijd hoeven aan te gaan met het orkest.

Sopraan Cécile Perrin profiteerde daar als Senta prachtig van en wist direct in haar ballade (één toon hoger dan normaal) enorm te overtuigen. Een droom van een ballade, waarin Perrin en Minkowski hoorbaar maakten hoeveel Wagner nog beïnvloed was door het belcanto van Bellini's lange, dromerige melodieën.

Opvallend afwezig in de partituur was de harp, die aan het slot van de ouverture en aan het slot van de opera de opoffering van Senta en de verlossing van de Hollander verklankt. In de onderhavige versie staan een paar droge orkestklappen, die Senta's sprong in zee noodlottiger doen voorkomen dan Wagner later wilde.

Potsierlijke regie

Niet dat van die sprong in zee iets te zien was in Te Nuyls armetierig potsierlijke regie. Senta doet gewoon de mantel van de Hollander aan en trekt de capuchon over haar hoofd. Die mantel was alom aanwezig; toen het publiek de zaal in kwam liep de Hollander al in die mantel met capuchon over het toneel te kuieren. Tenminste: de stand-in van de Hollander.

Geen zanger wil bovendien twee uur lang over het toneel banjeren en dus liep de stand-in steeds rechts af als even later links Florian Cerny moest opkomen. Die zong de Hollander met kloeke stem, maar straalde verder weinig uit van 's mans gekweldheid.

Het was een aardig idee om de rol van Frau Mary (goeie rol van Lucia Meeuwsen) op te waarderen. Te Nuyl zag in haar de voorgangster van Senta, die weliswaar tekeer gaat tegen de dweepziekte van Senta met het portret van de Hollander, maar zelf stiekem in haar amuletje kijkt; die weliswaar weigert om de ballade te zingen, maar het niet kan laten om met Senta mee te mimen. Goed geregiseerd was ook de rol van Erik (in deze versie Georg geheten), waarin Albert Bonnema zowel vocaal als theatraal sterk naar voren kwam.

De agressie waarmee Te Nuyl zijn personages opzadelde, was onbegrijpelijk. Daland (hier Donald in een wat saaie portrettering van Dieter Schweikart) intimideert de Steuermann; Mary wil Senta slaan, en Georg schiet Senta neer, maar zijn jachtgeweer weigert, enzovoorts. Zelfs de Steuermann mag even agressor spelen, al werd die rol nog zo nobel en fraai gezongen door Patrick Henckens.

Het eenvoudige decor (Mirjam Grote Gansey) bestaat uit een openklapbaar plateau (de boeg van een schip) waarboven een groot opgespannen doek (zeil) zweeft. Op dat doek worden tijdens de monoloog van de Hollander beladen teksten geprojecteerd als: 'Gott ist tot'. Die teksten vormen overlappend op den duur de vage contouren van de Hollanderkop. Dit eenheidsdecor was zelfs voor een reisproductie een al te simpele oplossing voor deze ingewikkelde opera. Hierdoor bleef het effect van de elkaar toezingende bemanningen scènisch onderbelicht, ook al zong het koor van de Nationale Reisopera nog zo goed.

mailIcon print |