*

 
dossier

Archief

Pas in Canada kon Kim Phuc weer zelf beslissen over haar leven

WILMA KIESKAMP − 04/04/98, 00:00

Sommige mensen ontkomen nooit meer aan het symbool dat ze zijn. Zelf wilde Kim Phuc (34) liever een anoniem leven leiden, maar er waren altijd de anderen. De journalisten die haar wilden spreken, de communisten die in haar een handig propagandamiddel zagen, en nu dan de Unesco. Opnieuw reist het beroemdste Vietnamese meisje de wereld rond. Ze kan niet anders.

Kim Phuc - beroemd van de foto waarop ze als negenjarige gillend van pijn, met brandwonden van napalm, over een weg rent - is sinds een half jaar 'goodwill-ambassadrice' voor de VN-organisatie Unesco. Haar opdracht is helder en ondoenlijk: de vrede promoten in een wereld die sinds de Vietnamoorlog niet minder gewelddadig is geworden.

Of ze er zelf om zat te springen om opnieuw op podia te staan, lijkt sterk de vraag. Verlegen gaf ze gisteren in Den Haag interviews en een persconferentie, bijna onthand met zichzelf. Voor iemand die sinds haar twintigste moest handenschudden, speechen en reizen lijkt ze opmerkelijk bedeesd. Kim Phuc staat in haar mooiste Aziatische jurk in Nieuwspoort en plukt aan haar mouwen. Het Engels kost haar soms moeite. Het liefst praat ze eigenlijk nog over haar twee zoontjes, de jongste een baby van zeven maanden. Ze zijn thuis in Toronto, Canada.

Op doorreis uit Zwitserland is ze een paar dagen in Nederland, op uitnodiging van de Nieuwe Wereldcampagne, een actie van onder andere Novib, Vluchtelingenwerk, Kerken in Actie, Amnesty en Milieudefensie voor 'een rechtvaardiger wereld'. Vandaag zal ze in Rotterdam bij de afsluitende manifestatie prominent op het podium staan. Ze mag de minister een hand schudden en zal haar speech voorlezen, het verhaal dat ze uit haar hoofd kent, maar toch nog steeds van papier leest. Liever ontdoet ze haar herinneringen van de meest persoonlijke emotie, herinneren is al moeilijk genoeg.

In hinkstapsprong gaat ze langs de gebeurtenissen: het napalmbombardement op haar geboortedorp Trang Bang in 1972, de fotograaf die haar meer dood dan levend naar een ziekenhuis bracht, de zeventien operaties die ze onderging, alle pijn en verdriet om haar verminkte leven. Ze groeide op in een ziekenhuis en werd later door de communistische partij van Vietnam 'geadopteerd' - maar aan die twee laatste trauma's wordt ze liever niet herinnerd, zegt ze heftig.

“Ik vind het eigenlijk heel moeilijk om steeds maar weer in mijn herinnering terug te gaan naar die vreselijke dag en de jaren van pijn die erop volgden. Stel me liever vragen over het heden. Maar de mensen willen mijn verleden horen en moeten het horen. Mijn verhaal staat voor die miljoenen kinderen die in oorlogen over de hele wereld omkwamen, gewond raakten of trauma's opliepen. Ik ben de herinnering aan wat oorlog teweeg brengt.” Even later vertelt ze dat de brandwonden op haar rug en haar ene arm, ondanks plastische chirurgie door Amerikaanse en Duitse artsen, nog steeds zoveel pijn doen dat ze soms het gevoel heeft dat er messen in haar lijf worden gestoken.

Kim Phuc zou waarschijnlijk niet meer geleefd hebben als er, na de napalm, niet die foto was geweest. De Vietnamese fotograaf Nick Ut bracht haar naar een ziekenhuis. Een Amerikaanse fotograaf wist voor elkaar te krijgen dat het beroemde meisje naar een brandwondencentrum ging. Later, toen ze 19 was, kon ze dankzij Westerse journalisten naar Duitsland voor plastische chirurgie. Maar ze betaalde haar tol. Toen ook nog een Nederlandse, Vara-cameraploeg haar met de beste bedoelingen opspoorde in Vietnam, was haar 'gewone' leven voorbij. Pas dankzij de Westerse aandacht ontdekte het communistische bewind de propagandawaarde van Kim Phucs ervaringen. Ze verloor de regie.

“Toch ben ik dankbaar voor alles wat ik ontving, vooral voor die eerste veertien maanden dat ik zwaargewond in het ziekenhuis lag. Ze hebben mijn leven gered. Ik heb altijd het gevoel gehouden dat ik iets terug zou willen doen”, zegt ze. Daarom stemde ze er vorig jaar toch weer mee in om voor de Unesco te gaan werken, hoewel ze daarmee definitief haar droom opgeeft dat ze ooit nog eens een gewoon leven zou kunnen leiden, ver van camera's. “In Zwitserland werd ik al op straat herkend, deze week.”

Bij de Unesco, de onderwijsorganisatie van de VN, is men met haar aanstelling meer dan verheugd. Ze hebben bij Unesco ook hun prinsessen die goodwillwerk doen, hun filmsterren - maar geen van hen heeft de authenticiteit van de Vietnamese huismoeder. En zoals dat hoort, houdt ze zich verre van politieke uitspraken.

Betaald wordt Kim Phuc niet voor haar werk, hoewel juist zij het kan gebruiken. Een verslaggever die haar gezin vorig jaar in Toronto opzocht, beschreef met pijnlijke precisie het treurige interieur van het twee meter smalle huisje. Oranje vloerbedekking met vlekken van ouderdom, plastic stoeltjes aan de eettafel, één slaapkamer voor de hele familie. “Ja hoor, daar woon ik nog steeds”, zegt Kim Phuc vrolijk. “Zondag vlieg ik naar huis. Een babysitter past op de kinderen, want mijn man moet werken. Hij kan niet steeds vrijnemen als ik op reis moet.” Van hun inkomen staan ze ook nog een deel af aan familie in Vietnam.

Ze vroeg samen met haar man Toan Bui Huy in 1992 met succes asiel aan in Canada. Hun vliegtuig landde daar op een tussenstop van Moskou (waar ze op uitnodiging van de autoriteiten hun huwelijksreis 'vierden') naar Cuba (waar Kim Phuc in 1985 farmacie was gaan studeren). Ze spraken geen woord Engels en hadden geen rooie cent. “Het was best moeilijk een bestaan op te bouwen. Maar eindelijk, eindelijk was ik vrij. Een eigen leven. Dit is wat ik nu ben: een moeder met twee kinderen en een man. Mijn droom.”

“Ik heb me in Vietnam zo miserabel gevoeld. Ik wilde een gewone student zijn, maar ze dwongen me mijn studie te stoppen. Ik moest overal opdraven om mijn verhaal te vertellen. Zelfs toen ik in Cuba mocht gaan studeren, kreeg ik geen rust. In die jaren heb ik me opnieuw een slachtoffer gevoeld. Pas in Canada kon ik weer zelf beslissen over mijn leven. Maar het beste dat me is overkomen, is dat ik Jezus als persoonlijke redder heb leren kennen.”

Kerst 1992 kwam ze tot geloof, nadat de kerk hen had opgevangen, toen ze nergens anders hulp vonden. God is voor Kim Phuc het enige onderwerp dat haar tot grote welsprekendheid brengt. Dan komt ze los, stralen haar ogen. Haar Unesco-optredens dreigen dan even het karakter van een Praise-avond te krijgen, met wat ongemakkelijke blikken van de andere delegatieleden. Kim Phuc wordt door allen echter zo aardig gevonden, dat niemand het haar kwalijk neemt.

Volgens haar is vrede geen zaak van politiek, maar van gevoel. “Dankzij God leerde ik geen wrok meer te voelen. Ik kan nu vergeven wat mij is aangedaan. Ik heb een sterk geloof en echte hoop dat in deze wereld de vrede het kan winnen. Vrede gebaseerd op liefde, begrip, vergeving. Ik wil dat mensen ja zeggen tegen de liefde.” Zelf sloot ze twee jaar geleden de Amerikaanse piloot John Plummer in haar armen, de man die in 1972 de bommen gooide.

Vorig najaar, vlak voor Unesco haar belde, heeft Kim Phuc in Amerika een stichting opgericht die medische hulp wil bieden aan kinderen in oorlogsgebieden, de Kim Foundation. Projecten zijn er nog niet, zelfs geen plannen voor projecten. “Eerst geld werven. Er is zoveel nodig.” Ze poseert maar weer eens, geduldig lachend, voor de camera's. Maar niet voordat ze de omstanders nog snel even het persbericht over haar stichting in de handen heeft gedrukt. “Hier ben ik nu echt trots op.”

mailIcon print |