De regering heeft afgelopen vrijdag alsnog besloten om het Europees Protocol te tekenen, dat het klonen van mensen verbiedt. De hele Tweede Kamer is vóór zo'n verbod. Verschil van mening is er wel over de vraag wanneer van een mens sprake is.
De christelijke minderheid meent dat dit vanaf de bevruchting het geval is. De paarse meerderheid meent dat er pas na veertien dagen sprake is van een mens. Abraham Kuypers anti-these betoont zich hier springlevend! Embryonaal 'weefsel' dat jonger is dan veertien dagen, mag van de regering en van de meerderheid wel gekloond worden. In het belang van allerlei goede doelen die met wetenschappelijk onderzoek gediend worden. Daarom zal de regering een voorbehoud maken bij het protocol, waarin klonen gedurende de eerste veertien dagen mogelijk blijft.
Ik ben benieuwd naar de straf voor de eerste wetenschapper die gekloond 'weefsel' toch tot een mens laat uitgroeien. Of zegt men dan 'dat de technologische ontwikkeling nu eenmaal niet tegen te houden is'?
Bovendien is het de vraag of het argument van de regering standhoudt, dat ieder mens uniek is en dat je daarom niet mag klonen. De Nijmeegse ethicus Hub Zwart betoogt in Letter en Geest van zaterdag 17 januari, dat de menselijke persoon niet alleen door zijn erfelijke eigenschappen wordt bepaald, maar ook door de cultuur waarin hij opgroeit.
Hij bracht de stelling naar voren dat Hitler een ander mens zou zijn geworden als hij in andere omstandigheden zou zijn opgegroeid. Als die stelling klopt, lijkt een kloon dus niet per definitie op zijn donor en is hij altijd zelf ook een uniek persoon. Daarmee zou de basis geheel aan het kabinetsbeleid ontvallen.
In deze krant betoogde de heer Bos enkele weken geleden op de Podium-pagina bovendien dat het splitsen van bevruchte eicellen ook spontaan in de natuur voorkomt, namelijk bij eeneiige tweelingen. En waarom zou de mens niet mogen wat de 'schepping' wel doet? Toch roept juist dit argument een antwoord op, dat ook in de discussie over klonen thuishoort. Een eeneiige tweeling heeft namelijk wel twee ouders en een kloon niet. Dat werpt de vraag op of een kloon een kind van de donor is of een tweelingbroer of -zus.
In het belang van de kloon moet gekozen worden voor het eerste. Weliswaar komen ook in de natuur nakomertjes voor, maar de consequentie van dat standpunt zou zijn, dat de kloon als kind moet worden geacccepteerd door de ouders van de donor. Dat lijkt me onaanvaardbaar. Een kloon is dus een kind van de donor en heeft per definitie maar één ouder.
Een kind moet per definitie twee ouders hebben, wil het kunnen uitgroeien tot de unieke menselijke persoonlijkheid, die de regeringspartijen zo ter harte gaat. Bij een te grote gerichtheid op de ene ouder is het precies de andere ouder, die in het opvoedingsproces de checks and balances aanbrengt, die het kind de gelegenheid geven om zijn uniekheid te ontwikkelen. Daarbij spelen zowel erfelijke als cultureel bepaalde factoren een rol. Een goede opvoeding vergt de actieve aanwezigheid van beide biologische ouders. Dat dit soms onverhoopt niet het geval kan zijn, zet de regel niet opzij. Welbewust een kind creëren dat niet twee ouders heeft is moreel onaanvaardbaar. Precies daar ligt het argument tegen klonen en niet in de erfelijke uniekheid van de mens.
Maar dan rijst er wel een probleem voor de voorstanders van een ongeclausuleerd adoptierecht voor homoseksuelen. Is het toevallig dat dit onderwerp in dezelfde kabinetsvergadering van afgelopen vrijdag op de agenda stond en dat men daar kennelijk nog niet uit is?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.