BRUSSEL - Dat elf van de vijftien EU-landen op 1 januari zullen beginnen aan de muntunie, staat vrijwel vast. Vraag is nu hoe die muntunie zal werken. De stapel economische literatuur daarover is al hoger dan het gebouw van de Europese centrale bank. Over één ding zijn de economen het eens: de Europese centrale bank en de muntuniedeelnemers staan voor een lastig karwei.
Van de vijftien EU-staten hebben veertien de opdracht die ze zeven jaar geleden in Maastricht kregen, min of meer uitgevoerd. Behalve Griekenland heeft iedereen zijn overheidsfinanciën voldoende op orde gebracht om tot de muntunie te worden toegelaten. Als de Europese regeringsleiders dat in het eerste weekeinde van mei formeel vaststellen, zullen drie van hen meedelen dat hun land de euro voorlopig niet wil: Zweden, Denemarken en Groot-Brittannië.
Vreemd genoeg is dat laatste voor Europa een hele opluchting. Als de Britten het in hun hoofd hadden gehaald om toch mee te doen per 1 januari, zou de muntunie pas echt in de problemen zitten. Tussen de Britse economie en het continent gaapt een kloof die breder is dan het Kanaal: terwijl het continent druk is met het economisch herstel is de Britse economie al op weg naar het volgende dal. Het pond is zwaar overgewaardeerd, en de Britse rente zoveel hoger dan die op het continent dat de Europese centrale bank er geen raad mee zou weten.
Groot-Brittannië distantieerde zich destijds in Maastricht om politieke redenen van het muntunie-plan. Als de Britten het echt om zeep willen helpen, zouden zij nu moeten zeggen dat zij toch willen meedoen. Maar de Britten zijn behalve eigenwijs ook weleens verstandig. Premier Tony Blair erkent ruiterlijk dat het economisch ritme van zijn land deelname aan de muntunie onmogelijk maakt. Het plan om te wachten tot na de volgende verkiezingen, in 2002, is perfect omdat de kloof tussen Britse en continentale economie dan het kleinst zal zijn.
Het Britse voorbeeld maakt duidelijk dat voldoen aan de toelatingseisen voor de muntunie nog niet betekent dat de EU-landen elkaars gelijke zijn. Wat betreft overheidstekort, staatsschuld, inflatie en rentepeil zijn de Europese economieën elkaar genaderd, zoals werd voorzien in Maastricht. Maar de verschillen in economische groei zijn groter dan ze in de jaren tachtig waren. Hetzelfde geldt voor de werkloosheidcijfers en voor de betalingsbalans van de EU-landen.
Die oplopende verschillen zijn deels het gevolg van bijzondere gebeurtenissen, zoals de Duitse eenwording en het uiteenvallen van de Sowjet-Unie, dat de Finse economie een mokerslag bezorgde. Maar belangrijker zijn de structurele verschillen tussen de EU-landen, zegt de econoom.
Wat betreft productiestructuur lijken ze aardig op elkaar. De regionale specialisatie die de Verenigde Staten kenmerkt, ontbreekt in Europa; de EU-staten zijn van alle markten thuis. Maar wat betreft sociale verhoudingen, loonvorming, arbeidsproductiviteit, sociale zekerheid, spaar- en leengedrag, graad van openheid van de economie en aandeel van de handel met niet-muntunielanden zijn er grote verschillen.
Met die verschillen moet de muntunie leren leven. Je mag verwachten dat ze in de toekomst kleiner zullen worden. De interne Europese markt is nog steeds in ontwikkeling; het verkeer van goederen, diensten en kapitaal is op papier vrij, maar in werkelijkheid zijn er nog tal van hindernissen die opgeruimd moeten worden. Dat zal ook gebeuren, maar het kost tijd. En ook al zal er van de muntunie zelf druk uitgaan om het economisch beleid meer op elkaar af te stemmen, structurele verschillen zullen er nog geruime tijd blijven.
Dat betekent dat iedere actie van de Europese centrale bank voor de muntunie-deelnemers heel verschillende gevolgen kan hebben. Neem de koers van de euro ten opzichte van dollar en yen. Voor de Europese centrale bank niet de eerste zorg, dat is de prijsstabiliteit in de eurozone, maar voor exporteurs van groot belang. En die exporteurs zijn ongelijk verdeeld; van de Finse export verlaat driekwart de eurozone, terwijl Nederland slechts eenderde van zijn export afzet buiten de muntunie. Voor schommelingen in de koers van de euro ten opzichte van andere munten zal de Finse economie dus veel gevoeliger zijn dan de Nederlandse.
Kortlopend
Of neem het leengedrag. In Oostenrijk en Italië wordt vooral kortlopend geleend tegen variabele rentes. Duitsers en Nederlanders zijn gewoon leningen af te sluiten met een lange looptijd en vaste rentes. Een wijziging van het centraal rentetarief door de Europese centrale bank zal de Oostenrijkse of Italiaanse economie sneller èn sterker beïnvloeden dan de Duitse of Nederlandse. Tijdens de monetaire onrust van begin jaren negentig kreeg de Duitse Bundesbank - monetair leider in Europa - het verwijt, door een te hoge rente de Britse huizenbezitters op kosten te jagen. Datzelfde kan de Europese centrale bank straks naar het hoofd geslingerd krijgen vanuit Italië of Oostenrijk.
Daarbij komt dat de Europese centrale bank een peuter is aan het roer van een mammoettanker. De huidige centrale banken van de lidstaten weten hoe hun muntzones reageren op hun ingrepen. Maar hoe die grote eurotanker straks op het roer reageert, weet niemand precies. Er wordt druk gesproken over de vraag of de Europese centrale bank zijn beleid zal baseren op de ontwikkeling van de vraag naar euro's, of op een na te streven inflatiepeil. Analisten weten dat men in Frankfurt beide in ogenschouw zal nemen, plus iedere andere indicator die van nut kan zijn, en dat het voor de Europese Centrale Bank vooral veel oefenen wordt.
Dat wordt het ook voor de muntuniedeelnemers. Landen raken hun munt kwijt, en dus ook de mogelijkheid die munt te devalueren of op te waarderen. Bovendien hebben ze het rentepeil niet meer in eigen hand. Ze moeten hun economie zien te sturen met wat hun nog rest aan instrumenten: het begrotingsbeleid, de fiscale politiek en loon- en prijsbeleid (voor zover overheden die in de hand hebben).
De muntunielanden krijgen weliswaar één munt en één centraal rentetarief, maar niet dezelfde inflatie. Zoals er nu inflatieverschillen zijn tussen regio's in een land, zo zullen er inflatieverschillen zijn tussen de muntuniedeelnemers. Stel dat een land, laten we het Italië noemen, zijn inflatie laat oplopen. Dan verliest de Italiaanse economie aan concurrentiekracht. Aangezien devalueren niet meer kan om dat verlies goed te maken, is het land gedwongen de lonen te matigen en zijn productiviteit te verhogen.
Bij de les
De muntuniedeelnemers moeten dus bij de les blijven. Meer dan ze nu al doen. Op aandrang van Duitsland is middels het Stabiliteitspact de mogelijkheid geschapen om landen die afdwalen, desnoods miljardenboetes op te leggen. Probleem is dat braaf zijn het ene land gemakkelijker valt dan het andere. Nederland geldt als schoolvoorbeeld voor de muntunie; het heeft zijn tekort snel genoeg teruggebracht om de gulden aan de D-mark gekoppeld te houden en toch een flinke economische groei te realiseren. Landen met forse schulden - zoals Italië en België - hebben het moeilijker, ook straks. Maar, zoals analist Wouter Demeulenaere van de Kredietbank zegt: “De plicht onze schuld terug te brengen is een godsgeschenk voor de volgende generaties Belgen.”
Ook in de muntunie kan het het ene land economisch mee zitten en het andere tegen. De 'rijken' zouden de 'armen' kunnen helpen. In de Europese Unie zit die financiële solidariteit gebakken. Maar de EU-begroting is veel te klein om groeiverschillen in de muntunie op te vangen. Dat kan natuurlijk veranderen, maar erg waarschijnlijk is het niet. Grootscheepse inkomensoverdrachten binnen de muntunie zijn niet wenselijk, zegt Demeulenaere, omdat de steun voor de euro in de welvarende delen van de muntunie dan een bijzonder kort leven beschoren zou zijn.
Veel belangrijker is het te zorgen dat de markten voor goederen, diensten en vooral kapitaal gesmeerd werken. Groeiverschillen binnen de VS, die dollarunie, worden ook meer door de markt opgevangen dan door de inkomensoverdracht via de federale Amerikaanse overheid. Een volmaakte, hobbelvrije, eengeworden Europese markt, verzekert de econoom, is de beste manier om de muntuniedeelnemers te laten delen in de vruchten en de risico's van het leven, en stabiliteit in de gehele eurozone te garanderen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.