*

 
dossier

Archief

Brussels operakoor zingt met verve in grootse 'Chovantsjina'

FRANZ STRAATMAN − 01/02/96, 00:00

BRUSSEL - Het is geen kleinigheid dat de Nationale Opera van België het groots opgezette volksdrama 'Chovantsjina' van Modest Moesorgski op het speelplan heeft gezet. De première dinsdag in de Muntschouwburg ontpopte zich als een meeslepend 31/2 uur durend evenement, waarbinnen de massale, virtuoze koorpartijen voor spectaculaire passages zorgden, weergaloos gezongen en geacteerd door het koor van de Nationale Opera.

'Chovantsjina' is het tweede deel van een opera-drieluik dat Moesorgski voor ogen stond: het eerste heet 'Boris Godoenov' (rond 1870 ontstaan), een paradepaardje in operaland. Het behandelt een roerige periode rond 1600 in de Russische geschiedenis. 'Chovantsjina' voert de aandacht naar het eind van de zeventiende eeuw, toen de jonge tsaar Peter, later bijgenaamd De Grote, de macht naar zich toe trok ten koste van de Streltsy's, aangevoerd door vorst Ivan Chovansky. Het derde luik werd nooit uitgewerkt; dat zou gaan over een opstand tegen Catharina de Grote.

Rond Moesorgsky's muziek doemen allerlei problemen op. Bij 'Boris Godoenov' werd de partituur na Moesorgski's dood verbeterd, verrijkt, aangevuld door zijn artistieke vriend Nikolai Rimski-Korsakov. Hedentendage kiezen uitvoerenden weer voor de 'originele' lezing.

In het geval van 'Chovantsjina' liggen de zaken nog ingewikkelder. Moesorgsky was een chaotisch persoon; de partituur voor 'Chovantsjina' oogde ordeloos toen hij stierf in 1881. De zelf geschreven teksten en de scènes waren nog niet afgewerkt, en de muzikale invulling bestond hoofdzakelijk uit schetsen. Ook hier verzorgde Rimsky-Korsakov de voltooiing. Dat werk werd later overgedaan door anderen, natuurlijk ook Dmitri Sjostakovitsj, bewonderaar van Moesorgsky.

Diens orkestratie begint nu ingang te vinden. Zo introduceerde Valery Gergjev de Moesorgsky-Sjostakovitsj-versie in zijn Kirov te Sint Petersburg en op cd (Philips). Die versie gebruikt ook het Brusselse artistiek team onder leiding van dirigent Paul Daniel. Maar, in Brussel wil men toch orthodoxer zijn dan de patriarch. Daniel legt in het programmaboek uit waarom hij scènes en muzikale fragmenten schrapte, en waarom het slot niet in een triomfmuziek eindigt maar in een hercompositie die orkestraal wegebt als het volk van oud-gelovigen de zelf aangelegde brandstapel beklimt en zo ontsnapt aan de naderende ruiterij van de tsaar.

Voor wie de geschiedenis van de Hoekse en Kabeljauwse twisten al ingewikkeld is, lijkt het verhaal van 'Chovantsjina' helemaal een kluwen. Politiek-militaire groepen (de Bojaren en de Streltsy's), religieuze overtuiging (de oud-gelovigen en zijn leider Dosifej), machtshonger (van vorst Chovantsky contra de niet in beeld verschijnende jonge tsaar Peter), en een dubbele onuitgewerkte liefdesverhouding (tussen de zoon van Chovantsky en een Duitse, waar een wanhopig verliefde oud-gelovige juffer doorheen fietst) vormen de ingrediënten van het rapsodische libretto.

Net zoals 'Boris Godoenov' is 'Chovantsjina' een drama waarin het volk een hoofdrol speelt: Moskous volk, soldatenvolk, oud-gelovig volk, boerenvolk. Muzikaal uiten zij zich in klaagzangen, smeekzangen en ballades. Het was fenomenaal zoals het operakoor zich met vlammende, dan weer zoetvloeiende klanken rap door het Russisch werkte in opzwepende dan wel wiegende ritmen. Dirigent Paul Daniel hield die massa's uitstekend in de hand, zorgde met zijn afgewogen directie voor orde maar tegelijk passie in het uitstekend spelende opera-orkest.

Divers van karakter zijn in deze opera de individuen: de brute, machtsbewuste vorst Chovantsky, geweldig gezongen en geacteerd door de Amerikaanse bas Willard White. Ook uit Amerika de lyrisch stevige tenor Jacque Trussel die de wat intellectueel georiënteerde vorst Golitsyn goed karakteriseerde; ook hij delft het onderspit in het machtsspel tegen tsaar Peter. De Noorse bas-bariton Ronnie Johansen, tegenspeler en in feite de verpersoonlijking van de tsaar, drukte in stem en spel het sarcasme en de sluwheid uit waarmee de nieuwe orde even bruut zijn wil oplegt aan edelen en gepeupel.

Deze hoofdrollen werden dus vervuld door niet-Russen, zoals het artistiek team ook niet-Russisch is. Dat tekent het avontuurlijke van de Brusselse opera: dat zij voor dit oer-Russische werk nieuwe wegen zoekt, wèg van Russisch traditionalisme, zowel in beeld en geluid. Maar zonder Russen kan het kennelijk niet. De bas Anatolii Kotsjerga verpersoonlijkt indrukwekkend Dosifej, de starre, zelfverzekerde leider van de oud-gelovigen. Hij kan zo een sekte beginnen in hedendaags Rusland!. Prachtig en ontroerend zong Helena Zaremba als Marfa, een nogal dweperig type, zowel in het geloof als in de liefde jegens Andrej Chovanski. In die volstrekt platte rol zet de tenor Vladimir Bogatsjov een stoere knaap neer met een soepel-kloeke strot; in juni aanstaande zingt Bogatsjov in Amsterdam de Otello. Ook in de kleinere rollen staan uitstekende zangers uit oost en west.

De Noorse regisseur heeft de scènes helder gehouden (hij situeert de opera medio negentiende eeuw), maar zijn personenregie is niet opvallend. Het toneelbeeld van Chloë Obolensky (Grieks) toont een kale ruimte van immense muren: een toneeltoren, of het Kremlin? Het is niet dwingend, eerder clichématig modern. Tot 17 februari nog acht voorstellingen.

mailIcon print |