Op tafel liggen, tussen de lege blikjes Grolsch, de pakjes sigaretten en de ondefinieerbare puinhoop die bij een studentenhuis hoort, twee glimmende delen Divina Comedia. Dante, zware kost. Schrijver Hafid Bouazza (26) wrijft met een verlangende blik over de kaftjes. “Net gekocht”, zegt hij. Maar aan lezen komt hij voorlopig niet toe. Hij staat alweer in de schijnwerpers.
Eerst was er de verschijning van zijn literaire debuut, in de zomer van 1996. Met de verhalenbundel 'De voeten van Abdullah' knalde de jonge schrijver zomaar de top 10 van best verkochte boeken binnen en bleef daar maandenlang staan. Het boek krijgt binnenkort de vierde druk.
Daarna was er de nominatie voor de NPS-Cultuurprijs voor jonge kunstenaars. Hafid Bouazza kreeg die prijs uiteindelijk net niet. Maar hij was toen al wel door de media ontdekt als ideale ambassadeur van een groep waar Bouazza zelf niet wist dat hij er deel van uitmaakte: de aanstormende generatie allochtone smaakmakers.
Hij is geboren in Marokko, vandaar. “Op een gegeven moment zat ik op mijn kamer aan drie journalisten tegelijk interviews te geven en dan belde er ook nog een fotograaf aan”, beschrijft hij de hype. En steeds opnieuw uitleggen dat hij zich vooral een Nederlandse schrijver voelt, gewoon zo'n jongen die al op zijn achttiende gedichten stuurde naar literaire maandbladen als De Gids en Maatstaf en dan nagelbijtend de brievenbus afwachtte. Zo zijn er zoveel. Al zijn inzendingen werden overigens teruggestuurd. Ook al niets bijzonders.
Dat juist hij bij de eerste prijs die hij wint wordt onderscheiden vanwege zijn 'andere' afkomst moet een cynische speling zijn van het lot. Een pesterijtje, bijna, als de jury niet beter zou bedoelen.
Hafid Bouazza is dit weekeinde bekroond met de E. du Perronprijs. Hij krijgt de culturele prijs omdat hij zich 'verdienstelijk heeft gemaakt voor begrip en verstandhouding tussen de bevolkingsgroepen in Nederland'. Elk jaar onderscheiden de gemeente Tilburg en de Katholieke universiteit Brabant hiervoor een persoon of een instelling.
Wat hij met zijn boek kan hebben bijgedragen aan de totstandkoming van een betere wereld, is Hafid Bouazza eigenlijk een raadsel. Hij heeft het juryrapport nog niet ontvangen. “Ik schrijf omdat ik wil schrijven, niet omdat ik de bedoeling heb om meer begrip tussen culturen te kweken. Hou toch op. En ik schrijf al helemaal niet omdat ik me de tolk voel van de tweede generatie allochtonen. Ik ben geen maatschappelijk werker. Schrijft een Nederlandse schrijver soms ook namens anderen? Mij een spreekbuis noemen is de snelste manier om me sjagrijnig te krijgen. Als mensen mijn werk prijzen omdat het zo'n aardig beeld geeft van de Marokkaanse cultuur, of omdat ik zo'n sympathiek joch ben dat het zo goed bedoelt, dan voel ik dat bijna als een vernedering. Maar gelukkig schijn ik de prijs vooral te krijgen voor mijn taalgebruik. Dát vind ik nu wel weer eervol.”
Hij kwam in 1977 naar Nederland, als jongetje van zeven jaar. Op een oktoberdag. Vader Bouazza werkte al een paar jaar als gastarbeider in een ijzer- en staalfabriek in Arkel, een dorpje met toen nog geen drieduizend inwoners, vlakbij Gorinchem. Hafid is de een na jongste van het gezin van zeven kinderen. Ze waren de eerste allochtonen in het dorp, en lange tijd ook de enige.
“We werden met ongelooflijk veel égards behandeld. Maar op school ben ik erg gepest. Ik was anders. Op de havo hield ik me ook afzijdig, ik heb het niet zo op dat groepsgedoe. Nog steeds niet.”
In Arkel moest hij als enig niet-Nederlands kind wel Nederlands spreken. Hij denkt dat hij zich daarom de taal zo snel en grondig eigen heeft gemaakt. Bouazza schrijft, sinds hij als puber met schrijven begon, altijd in het Nederlands.
Zijn ouders, vooral zijn moeder die zelf nooit de kans had gekregen naar school te gaan, moedigden hem aan om door te leren, in een streek waar ook voor de autochtone kinderen vaak de LTS al mooi genoeg werd gevonden.
Alle kinderen Bouazza hebben het ver geschopt: een zus werd boekbinder, een broer muzikant, een ander schilder, twee kinderen studeren Engels en één is in Marokko professor in de scheikunde.
De liefde voor taal die blijkbaar de Bouazza's in het bloed zat, had eerder domweg nooit kans gehad om zo tot uiting te komen. Vader sappelde in Marokko in een kruidenierswinkeltje, voor zijn komst naar Nederland en ook de rest van zijn generatie was te druk met overleven.
Hafid vertrok uiteindelijk naar Amsterdam om Arabische taal- en letteren te studeren en zoals dat gaat: “Toen ik eenmaal in Amsterdam was begon mijn leven pas. Daarna kon ik niet terug naar Arkel.”
Met zijn ouders had hij een tijd een meer dan gespannen relatie. Vooral vader Bouazza vond het moeilijk dat zijn zoon maar wat op studentenkamertjes aanrommelde, rookte en dronk en vriendinnetjes had. Zoals alle studenten. Maar het gaat nu weer beter. “Ze komen misschien wel naar de prijsuitreiking”, denkt Bouazza.
Wat daarbij ongetwijfeld een rol speelt: met hemzelf gaat het ook beter dan een jaar geleden, toen hij volkomen aan de grond zat. Hafid Bouazza schreef zijn debuut toen zijn leven 'een volstrekte puinhoop' was. Geen huis, geen geld, geen baan. Aan het afmaken van zijn studie - hij hoefde alleen zijn scriptie nog te schrijven - kwam hij niet toe. Tussendoor werkte hij als vuilnisman of afwasser.
“Dat het nog zo'n vrolijk boek is geworden, is eigenlijk een wonder. Ik heb het geschreven toen het heel slecht met me ging. Het enige houvast was het contract voor een verhalenbundel, dat uitgeverij Arena me had aangeboden nadat ze via-via een paar verhalen van me hadden gelezen. Van dat boek hing alles af.”
“Ondertussen zwierf ik van adres naar adres, met mijn laptop onder de arm. Ik schreef op een zoldertje, in het huisje van de uitgever, in een huis in Nieuwe Niedorp. Op een gegeven moment zat ik zelfs op het kantoor van de uitgever aan het manuscript te werken, het bestelde boek werd onder hun ogen gemaakt.”
Maar aan het schrijven beleefde hij ongelooflijk veel plezier. Hij is een taalfreak, iemand die in zijn huis moeite moet doen om een 'gewoon' leesboek te vinden, maar stapels en stapels klassiekers heeft liggen. Alles wat ouder is dan honderd jaar, bij voorkeur.
Momenteel werkt Bouazza aan een bloemlezing over het werk van Geerten Gossaert en aan een Nederlandse vertaling van de Brief der Vergeving, een gedicht van de Arabische dichter Al-Ma'ari uit de achtste eeuw. “Gaat over hemel en hel en dat eeuwen voordat Dante er over schreef. Maar met veel meer ironie”, vertelt hij enthousiast.
In zijn boeken gebruikt Hafid Bouazza bloemrijk Nederlands, met bijna of helemaal vergeten woorden als 'schrepel', 'tuitelen', 'gnokken' en struiseling'. Hij houdt van dat oude Nederlands. Maar de verhalen zelf spelen grotendeels in Marokko en zijn sprookjesachtig. Door de combinatie zet Hafid Bouazza zijn lezers volgens de jury meesterlijk op het verkeerde been. 'Hij geeft het literaire Nederlands nieuwe smaak en kleur', leest Bouazza tevreden en hardop voor uit een krant, terwijl hij om het te vieren een blikje bier opentrekt.
Van een rustig gesprek komt weinig terecht. Het huis van Hafid en zijn vriendin, in hartje Amsterdam, blijkt een zoete inval van vrienden. De een komt zomaar langs, de ander komt melden dat hij ontslag heeft genomen bij de dierenambulance en vertrekt en passant met een verhandeling over de Oemmajadische dichters in het Moorse Spanje.
Wanneer hij schrijft aan zijn volgende boek, is een raadsel. En waar schrijft hij eigenlijk? In het piepkleine tweekamerappartement is geen computer of typemachine te zien. Hafid Bouazza is echter een makkelijk mens. “Als ik schrijf, trek ik de luxaflex dicht. Dan weet iedereen dat ik niet wil worden gestoord.”
En zijn apparatuur heeft hij ook, de laptop ligt in de kast. Bouazza wil hem in één greep pakken, maar de computer blijkt verstopt te zitten onder stapels papier. Het komt er gewoon niet zo van, de laatste tijd. Zo druk. Zoveel opdrachten. Want wat hij als achttienjarige dromer nooit had durven geloven: “Ik ben gevráágd. Door De Gids.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.