*

 
dossier

Archief

'Ongekend reservoir aan jong talent in Nederlands badminton'

ESTHER SCHOLTEN − 02/02/98, 00:00

DEN BOSCH - Hoewel de nationale badmintontop breder is dan ooit, luistert de vaderlandse kampioen nog steeds naar dezelfde naam. Ogenschijnlijk onverstoorbaar won Jeroen van Dijk dit weekend zijn zesde titel. Waar anderen de NK omdoopten tot 'het toernooi van de stress', sprak hij van 'een mooie training'. Toch hebben ook koele kikkers wel eens last van druk.

Met zwoegen en zweten kan je ver komen. Van Dijk is het levende bewijs. Hij is hard op weg in de voetsporen te treden van Rob Ridder, die in de jaren zeventig negen titels vergaarde. Een recordjager uit onverwachte hoek, want een vaardiger speler als bijvoorbeeld Pierre Pelupessy (vier titels) kwam lang niet zover. Het geheim van zijn succes? Nuchter: “Gewoon trainen en constant vechten.”

Een gouden instelling, die hem tot de 21e plek op de wereldranglijst heeft gebracht. Liefst achttien plaatsen hoger dan de volgende Nederlander. Desondanks was Van Dijk opgelucht dat zijn missie in Den Bosch wederom was geslaagd. “Het is elk jaar moeilijker om hier te winnen. Vooral door de druk. 'Je moet even nummer zes halen', zegt men dan. Maar ik krijg wel kamikaze-piloten tegenover me die niets te verliezen hebben.”

Kado kreeg hij de titel inderdaad niet. “Ik was niet zo scherp”, stak hij de hand in eigen boezem. In de halve finale snoepte de brutale Gerben Bruijstens hem een set af en in de eindstrijd tegen Chris Bruil - de eeuwige nummer twee - moest Van Dijk in beide sets een achterstand goedmaken. Maar werken op de baan kan de 26-jarige Rotterdammer als geen ander. Hij moet ook wel, bij gebrek aan een fluwelen touch. Zijn grote kracht is zijn naar Nederlandse maatstaven uitzonderlijke doorzettingsvermogen. Nooit geeft hij zich gewonnen voordat de laatste bal - badmintonners hebben het niet over shuttles - geslagen is. Mentaal is hij sterk, zo illustreerde ook dit weekend.

Zonder een scorebord is het bij een wedstrijd van Van Dijk gissen naar de stand. Van zijn gezicht valt niets af te lezen. Hoe spannend de finale bij tijd en wijle ook was en hoe prachtig de lange rallies oogden, de lange titelverdediger stond haast emotieloos op de baan. Geen moment vertwijfeling na een verloren punt. Even de blik naar de schoenen en concentreren maar weer. Lippen stijf op elkaar.

Stoïcijns en gedegen spelend, de Ivan Lendl van het badminton. IJzeren discipline, maar weinig spektakel. “Ik zou het ook mooi vinden als er meer leven op de baan is, maar dat is onmogelijk bij onze sport. Bij tennis krijgen de spelers veel rustpauzes waarin ze iets leuks kunnen doen. Wij zijn al blij als we een beetje lucht krijgen.”

Ook buiten de baan beweegt Van Dijk zich onopvallend en bescheiden. Hij laat liever zijn racket spreken. Europees jeugdkampioen Dicky Palyama kan daar een voorbeeld aan nemen. De negentienjarige jongen had vooraf de titel voor zichzelf geclaimd. Een overmoedige uitspraak, want zijn aspiraties sneuvelden ondanks twee weken trainingskamp in de halve finales.

Palyama is slechts één van de talenten die Nederland rijk is. In de toekomst zal hij onder andere met de pas zestienjarige Eric Pang - kwartfinalist in Den Bosch - om de erfenis van Van Dijk moeten strijden. De Nederlandse top is breder geworden, ook bij de vrouwen.

Judith Meulendijks (19) en Brenda Beenhakker (20) zijn daar de jonge vaandeldraagsters. De eerste bezweek in de halve finales onder de druk, de tweede heeft de afgelopen tijd in de schaduw van haar concurrente naar het gevoel kunnen zoeken. Met succes, ze prolongeerde haar titel ten koste van Carolien Glebbeek. De 24-jarige speelster, vaker geblesseerd dan fit, moest tot haar verdriet in de finale door wéér een kwetsuur opgeven. Na een mindere periode lacht het leven Beenhakker toe. Ze oogt ontspannener dan ooit. “Ik ben blij met mijn nieuwe opleiding (het CIOS - red.). Anderhalf jaar lang heb ik alleen gebadmintond, maar dat kan ik niet. Ik moet er iets nuttigs naast doen.”

Een ongekende luxe noemt bondscoach Martijn van Dooremalen 'het reservoir aan talent'. “Zelfs de huidige nummer zeven bij de mannen, Tjitte Weidstra, heeft al eens een Europees toernooi (een niveau lager dan de Grand Prixs - red.) op zijn naam geschreven. Dat was zes jaar geleden ondenkbaar.”

Het zijn de vruchten die geplukt worden van een verandering in het bondsbeleid, meent Van Dooremalen. “De periode tot '92 waren we heel individueel bezig. Een paar dames als Eline Coene en Astrid van der Knaap haalden toen het wereldniveau. We bewezen dat we iets konden bereiken en sindsdien proberen we dat met een grotere groep. Om iets structureel op te bouwen. En we zijn aardig op de goede weg.”

De nieuwe lichting heeft het voordeel meer Nederlandse sparringpartners te hebben dan Van Dijk. Hij heeft het wat dat betreft voornamelijk alleen moeten rooien. Slechts Chris Bruil (27) biedt tegenstand, maar deze veel getalenteerdere speler heeft zijn belofte nooit kunnen inlossen. De aanstaande vader kan niet zoals Van Dijk alles opzij zetten voor de topsport. “Ik vind een sociaal leven ook belangrijk”, verklaart de man van Eline Coene.

Van Dijk zag zich daarom in zijn zoektocht naar tegenstand drie jaar geleden genoodzaakt naar Denemarken te verhuizen. Hoewel er geen punten voor de mondiale ranglijst te verdienen zijn, komt de globetrotter ieder jaar hondstrouw naar de NK. “Dat is best moeilijk om op te brengen, maar deze aandacht is belangrijk. Dit is zuiver iets voor mijn sponsors. Uiteindelijk word je toch altijd zakelijk afgerekend.”

Verliezend finalist Bruil treurt echter om de gemiste eer. “De druk op de NK is nergens na te bootsen. Je ziet hoe we allemaal spelen. We moeten het met zestig procent van ons kunnen doen. Veerig procent valt om duistere reden af. Alleen Van Dijk is in staat om het met tachtig procent te doen. Dat geeft het verschil.”

mailIcon print |