*

 
dossier

Archief

Geen tijd voor nostalgie, de magiër leest door, over de wereldcatastrofe

WERA DE LANGE − 12/10/96, 00:00

Van een onzer verslaggeefsters AMSTERDAM - “Het is níet voor het EERST,” schreeuwt de man met het Amsterdamse accent, de trage dictie en de geoefende stem tegen het Lieverdje, “dat er een duidelijk jaartal wordt genoemd! Er was bijvoorbeeld een journalist in 1948, die het had over het jaar 1984. Wie was dat ook al weer? Was dat Orson Welles of Orson Nietes? Negentienvieren-tachtig, zei hij. Maar hij had niet gerekend met de zogenaamde democratiseringsgolf.”

Een echtpaar op leeftijd staat naar de roepende man bij het beeldje te kijken. “Da's Jasper Grootveld”, lepelt de man op leeftijd moeiteloos, maar zonder grote betrokkenheid op. “Ik ken hem ook alleen maar van veraf, wij hebben ons leven lang in IJmuiden gewoond. Maar ik dacht: tóch even kijken, wat hij nóu te vertellen heeft.”

Robert Jasper Grootveld, glazenwasser, anti-rook-magiër, knecht van Klaas, brenger van Gnot, bouwer van vlotten, is ongeveer drie-en-dertig jaar na de eerste happenings terug op het Spui. Hij leest er iedere vrijdagmiddag, vanaf klokslag drie uur, een hoofdstuk uit De grote verschuiving van de aardas in 1998 van Hendrik van Teylingen, een roman waarin de schrijver 'met het zwaard van zijn verstand, gewet door bovenzinnelijke kennis' de drakenkoppen van het intellectuele nihilisme onthalst. Een van die drakenkoppen is verpleeghuisarts Bert Keizer. Met hem gaat Van Teylingen in debat in de bijlage Letter & Geest.

De toeschouwers op het Spui op deze vrijdag kunnen luisteren naar het tweede hoofdstuk.

Het boek voorspelt precies wat de titel zegt 'een verschuiving, wat heet, een GROTE verschuiving', roept Grootveld over het tramgerinkel heen, 'van de aardas' en wel in het jaar 1998. Grootveld onderbreekt de voorlezing vakkundig met korte samenvattingen van het voorafgaande en met toelichting voor nieuwkomers in de dunne kring van omstanders. “Het gaat mij erom een publieke discussie over dit boek los te maken. Niet over de literaire kwaliteiten. Maar over wat er met de wereld gaat gebeuren. . .('Laatste nieuws!' brult een wat jongere man die bij de voorlezing hoort en blaadjes uitdeelt) ...want ik WIL dat helemaal niet, dat die aardas verschuift. BLOEDLINK!”

Robert Jasper Grootveld, in de zestig, heeft zich in al die jaren van vlottenbouw goed bewaard, hij heeft nog steeds hele blauwe ogen en is overdonderend aanwezig met het stemvolume van een redenaar van de Communistische Partij - tegenwoordig aangevuld met het postuur van de Dokwerker. “Zitten er geen knappe koppen bij Hoppe,” Grootveld wijst naar het terras van café Hoppe, “zitten er geen aardassologen, het liefst professor én ingenieur, die er iets tegen kunnen doen!” Het is Grootveldse ernst: Wij moeten iets ondernemen tegen de aardasverschuiving in 1998.

Een meisje met een fiets en een walkman die ze níet afdoet, houdt het niet lang uit bij de voorlezing. Een in nieuw, zwart leer gestoken jongen praat op luide toon met een in nieuw zwart leer gestoken meisje over een camera die hij nodig heeft voor de belangrijke film die hij gaat maken. De meesten onder de échte volhouders zijn wat ouder, waaronder niet weinigen bekenden van de magiër en de auteur van het voorgelezen boek, zelf aanwezig en de voorlezing ademloos volgend. Een oud vriendje van Grootveld - 'Jan Vreeken, heet ik, schrijf maar op, met een v, r, dubbel ee' - omhelst de magiër tussen de bedrijven door, rukt het boek even uit zijn handen om het meteen bij Athenaeum ('die grote lectuurtoko', aldus Grootveld), pal achter het Lieverdje, te gaan kopen. “Als Jasper zegt dat het goed is.”

Zou deze Jan Vreeken nog meegedaan hebben aan het marihuettespel, in 1960-1962? Het werd door Mulisch ooit zo beschreven: “ Marihuana speelde daarin nu juist nauwelijks een rol, wel hooi dat er op leek ('marihoe'), en de regels werden door niemand begrepen, wat ook de bedoeling was. Ook de politie begreep er niets van en deed regelmatig invallen op adressen waar het spel gespeeld werd. Zij zou nooit begrijpen, dat er niets te begrijpen viel, en evenmin dat zij door de deelnemers zelf was opgebeld: want de binnenkomst van zo'n stel grote, geüniformeerde, aan nicotine verslaafde kankerkandidaten was een happening. Wie gearresteerd werd, kreeg trouwens 100 punten.”

Geen tijd voor nostalgie, de magiër leest door, over de praktische voorbereidingen van Hendrik van Teylingen op de wereldcatastrofe: “Ik denk dat Pré (echtgenote van de schrijver) en ik voldoende opzij hebben gelegd om ons zo'n vlot te kunnen aanschaffen. Wat zal dat moeten kosten? Tweeduizend? Drieduizend? Met pomp en geperste luchtcylinder erbij vierduizend? In de ure der verschuiving zal men elkaar vermoorden om in zo'n rubberarkje te mogen meehotsen..” Grootveld onderbreekt zichzelf met de verachting van de vakman: “Een ópblaasvlot, hoe haal je het in je hoofd? Dat kan toch zo lekslaan!” En leest weer verder. “Mijn God wat een gezeur,” becommentarieert hij spontaan een in zijn ogen wel erg tobberige passage.

Het merkwaardige is dat Robert Jasper Grootveld al meer dan vijftien jaar bezig is zich voor te bereiden op Zoiets als wat Van Teylingen voorspelt. In één van de laatste oude havenloodsen op een bouweiland in de Amsterdamse oostelijke haven werkt hij onder Hollandse wolkenluchten aan enorme piepschuimen drijvers, die vlotten moeten gaan dragen, voor als het gebeurt.

In het water om de werkplaats en de omringende kaalslag heen drijft al het één en ander: een vertederend drijvend grasmatje met rieten stoeltjes bijvoorbeeld, waar in 1998 een kleine twintig mensen een plekje moeten kunnen vinden. “Wat drijft, dat blijft,” legt Grootveld uit. Hij heeft in toenemende mate last van 'een spannend gevoel'. En Hendrik van Teylingen heeft hem een blik gegund op de mogelijke bron van die rusteloze aandrift. “We hebben honderdduizend miljoen vlotten nodig”, zegt de magiër, terwijl hij onder de geelgrijze oktoberwolken wegfietst.

- Zie Letter & Geest 18 en 19

mailIcon print |