*

 
dossier

Archief

Restauratie bedreiging voor goed pastoraat

HENK VAN BREUKELEN − 29/01/96, 00:00

De auteur is voorzitter van de Federatie VPW Nederland (beroeps- en belangenvereniging van r.-k. pastores).

De beroepsvereniging van katholieke pastores bestaat voor meer dan de helft uit priesters, die nog veelal gevormd zijn op een seminarie. Zij kregen daar een zeer intensieve spirituele vorming. Theologische studie werd afgewisseld met een zwaar programma van ascese, liturgie en persoonlijk gebed. Een ware litanie van geestelijke oefeningen werd jarenlang dagelijks afgewerkt: het breviergebed, de mis, de biecht, de rozenkrans, het lof, de geestelijke lezing, de meditatie, de recollectie, de retraite. Het werd gezien als het geestelijk bezit dat elke priester meekreeg om zijn zware taak aan te kunnen.

Vanaf 1965 beginnen de priesters met schrik te merken dat hun boodschap geen aansluiting meer vindt bij het moderne levensgevoel. Mensen, in onzekerheid gebracht door de sterk veranderende wereld en tegelijkertijd geconfronteerd met beelden van geweld en onrecht, vragen hun pastor: neem onze situatie serieus, nog nooit hebben we in zo'n fundamentele onzekerheid verkeerd. Onze kinderen nemen massaal afstand van wat ons tot nu toe heilig was.

De pastor is met deze harde werkelijkheid op het seminarie nooit geconfronteerd. Hij voelt zich als Mozes op zoek naar een God in een mystieke beleving bij de brandende bramenstruik. Hij krijgt echter alleen te horen: “Ik heb de ellende van mijn volk gezien, ga tot het volk terug.” Een moeilijke stap, maar de pastor richt zich - zij het met aarzeling - op mensen die in een zo nieuwe wereld terecht zijn gekomen.

De geestelijke bagage die de priester in zijn opleiding meegekregen heeft, blijkt dan meer en meer ballast. Die oude spiritualiteit blijkt niet alleen niet meer 'verkoopbaar', hij kan er ook in zijn eigen leven steeds minder mee. Onder de scherpe belichting van het moderne bestaansgevoel blijkt het een na het ander leeg en niet meer ter zake.

Hij luistert naar mensen, vooral naar de nieuwe generatie. Hij neemt in zich op wat er gebeurt in de maatschappij. Hij merkt dat de mens intensief op zoek is naar een nieuwe identiteit, maar niet geneigd is zich te binden aan de kerk, die niet los kan komen van een fossiel keurslijf. Zo groeit er in voorlopig vage contouren een nieuwe spiritualiteit, gebaseerd op maatschappelijk engagement.

Maar, zoals bij elke culturele omwenteling, is er ook een groep die de onzekerheid niet aankan, en terug wil naar het oude, zeg maar de vleespotten van Egypte. We treffen dit soort fundamentalisme zowel bij joden als bij alle soorten christenen, bij islamieten en bij communisten: 'wij hebben de waarheid en alle anderen zijn fout'. Zij willen wel gebruik maken van de moderne technieken en communicatiemedia, maar niet echt communiceren. Zij begrijpen niet dat dit echt niet gaat, de moderne wereld met zijn levensgevoel buiten de deur willen houden, maar wel gebruikmaken van alles wat die wereld biedt.

Intussen trekt de moderne pastor op zoek naar zijn identiteit met zijn collega's door de woestijn. Ze hebben veel verloren. Zij worden binnen de eigen gelederen in de rug aangevallen op drie fronten. Ten eerste zijn er de gelukkig schaarse fundamentalistische collega's. Ten tweede is er de kerkelijke leiding, die ten dele doof en blind is, ten dele gevangen zit in de angst om 'Rome' af te vallen, en moeilijkheden heeft met de consequenties van het proces van 'aggiornamento'.

Ten derde zijn er de nieuwe priesteropleiders. Zij willen vanzelfsprekend de nieuwe aanstaande priester een spiritualiteit bijbrengen. Daar is niets mis mee. Maar ze tasten daarbij, zoals bij navraag blijkt, weer in de oude buidel. Alle devotie waarvan gebleken is dat een pastor er weinig aan heeft, wordt weer van stal gehaald. En ze wijzen maar zelden ongeschikte kandidaten af.

Als beroepsvereniging zetten we daar grote vraagtekens bij. Is het niet verstandig om met ons, de beroepsdragers, in gesprek te gaan in een gezamenlijke bezinning over spiritualiteit en de eisen die aan het beroep gesteld mogen worden? Wij zijn het toch, die de hitte van de middag dragen en weten wat wel en wat geen hout snijdt?

Nee dus. Want we zijn geen door de bisschop erkende vereniging. Het gevolg is dat we geconfronteerd worden en moeten samenwerken met een aantal nieuwe collega's die - laten we het voorzichtig zeggen - 'anders' zijn. Voor ons en voor die nieuwe collega's moeilijk. Als we dit aankaarten, is bijna automatisch het antwoord: Wij willen dolgraag dialoog, we hebben de tijd van de polarisatie achter de rug. Maar niet als jullie je zo opstellen.

Bij navraag hoe die dialoog dan zou moeten plaatsvinden, blijkt deze alleen te kunnen geschieden wanneer de door ons betwijfelde uitgangspunten buiten de discussie worden gehouden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van wat je dialoog mag noemen.

mailIcon print |