*

 
dossier

Archief

'De jongeren wassen zelfs de kleding van de oudere spelers'

JOHAN WOLDENDORP − 09/02/98, 00:00

NAGANO - Olof van der Meulen haalt zijn hart op in het 'Holland House' in Nagano. De voor NEC in Tokio uitkomende volleyballer inhaleert op zijn twee vrije dagen met volle teugen de Nederlandse gezelligheid, die hij op zijn kleine kamertje in de Japanse hoofdstad moet ontberen. De Fries is een sociaal dier, dat zich na gedane arbeid graag onder vrienden mengt. Tokio is dan wel een wereldstad, maar voor Van der Meulen geen onuitputtelijke bron van vertier. Integendeel. “Het is hier geen Sneek of Brescia. Het leven is anders dan in Europa.”

Geld dreef hem naar het verre oosten, niet direct de zucht naar avontuur of het gegeven dat hij later aan kinderen en kleinkinderen moet kunnen vertellen dat hij alle uithoeken van de wereld heeft gezien. “Als het verschil met Italië niet zo groot was geweest, had ik hier niet gezeten. Het financiële aspect is heel belangrijk. Ik ben 29, ik heb nog drie of vier jaar te gaan. Volleybal is mijn werk. Ik ga dus daar naar toe, waar ik het meeste kan verdienen.”

Schrikken deed ie wel, toen hij het kamertje van vier bij 2,30 meter in de domitorio van de club binnenstapte. “Moet ik daar nu zes maanden doorbrengen? was mijn eerste reactie. De schrik sloeg me om het hart. Maar als ik volgend seizoen voor het tweede deel van mijn contract terugkom, kijk ik er al heel anders tegenaan. Toen ik de aanbieding van NEC kreeg, had ik geen tijd er over na te denken. Ik was de hele zomer met het Nederlands team op stap. Volgend seizoen is dat gemakkelijker. Dan kan ik me instellen op een voor mij bekende situatie.” Een groot bed - want lange mannen kun je niet in zo'n Japans twijfelaartje leggen - vult het grootste deel van zijn kamer. “Mijn privé-bezittingen zitten in één koffer, meer kan ik niet kwijt. Het gezamenlijke bad in de domitorio is groter dan mijn kamer. Gekscherend heb ik al eens opgemerkt dat ik wel wilde ruilen.”

Het is er redelijk goed toeven, maar opwindend is het leven allerminst. “Een domitorio is een huis met een heleboel kamers. Er is een sauna en, zoals gezegd, een gezamenlijk bad. Wil je onder de douche, dan moet je dat zittend doen. En als in alle Japanse huizen, moet je na binnenkomst je schoenen uitdoen. Dat doe ik ook gewoon. Je komt als buitenlander, dan moet je je aanpassen aan de gewoonten van het land. Los van het feit dat je je terug kunt trekken in je kamertje, doe je alles gezamenlijk. In de keuken houden ze gelukkig rekening met me. Ik kan zoveel pasta eten als ik wil.”

“De dagen tussen de wedstrijden zijn vaak hetzelfde. Om half tien vertrekken we naar de sporthal. Daar zitten we eerst een beetje te kletsen, tv of video te kijken en computerspelletjes te spelen. Daarna trainen we drie uur en gaan weer naar huis. 's Avonds kijk ik meestal naar een wedstrijd uit de NBA (Amerikaanse basketbalcompetitie - red) en ga dan slapen. Er zijn plaatsen waar ik het veel beter zou hebben qua leefomstandigheden. Hier heerst een heel andere cultuur, en de mensen spreken een taal die voor een buitenlander moeilijk te leren is. Ik heb een Engelse tolk, daar moet ik me verstaanbaar mee maken. Maar ik ken in mijn omgeving heel aardige mensen die proberen het beste met me voor te hebben.”

Van der Meulen kwam in een sterk hierarchisch en statusbewust milieu terecht, waar een ijzeren discipline heerst. “Dat laatste valt me trouwens mee”, zegt de volleyballer. “Je zou denken dat de trainer je honderd keer onderhands en honderd keer bovenhands de bal laat spelen. Maar zo werkt het niet. Je krijgt je oefenstof op een papiertje en die doe je. Er worden geen aanwijzingen gegeven en er is ook niemand die kijkt hoe er wordt getraind. Het is een half uur stretchen en dan spelen. Ik vind het prima als iedereen lekker volleybalt. Ik heb belang bij veel aanvallen. Dan kan ik vaak springen.” De Sneker heeft in het begin nog getracht een wat systematischer werkwijze te introduceren. “Je probeert te helpen, door bijvoorbeeld 's ochtends de jonge jongens te trainen en ballen op hen te serveren, maar echt werken doet het niet. Het is ook heel moeilijk om te peilen wat ze denken, wat ze er van vinden.”

“Maar dat is ook het enige dat niet gestructureerd oogt”, vervolgt Van der Meulen. “Ik schrok van de sterk hierarchische toestanden. Je hebt twee groepen spelers, oude en jonge. De jongeren moeten alles doen voor de ouderen. Niet alleen de ballen dragen op de training, zoals dat in Nederland eveneens het geval is, maar ook de kleding wassen en dergelijke.” Omwille van het uiterlijke vertoon lijken kosten noch moeite te worden gespaard. “NEC heeft een selectie van twintig spelers. Dat is ongelooflijk, tot ik er achter kwam dat dat het aanzien van de club verhoogt. Hoemeer spelers, hoe groter de club. Een coach mag ook maar één buitenlander opstellen. Ik zit derhalve in een club met alleen Japanners. Ik ben ook de enige professional. De rest noemt zich amateur, die werkt 's ochtends in het bedrijf van de club. Er is ook een ploeg met twee Russen. Die kunnen alleen maar onderling worden gewisseld. Maar met twee buitenlanders kweek je zo mogelijk nog meer aanzien.” Grappig noemt Van der Meulen de uitwedstrijden. “Het gaat er dan heel relaxed toe. 's Avonds eet je nooit met de hele groep in het spelershotel. Je krijgt geld mee om in de stad te dineren.” Het competitieniveau vindt hij meevallen. “Het gaat alleen met NEC niet goed. We hebben een slechte uitgangspositie met betrekking tot de play-offs. We moeten de vijf resterende wedstrijden winnen om ze nog te halen.”

Olof van der Meulen kende het land van de rijzende zon al een beetje van de wedstrijden die het nationale team daar heeft gespeeld. In november worden in Japan de wereldkampioenschappen mannen en vrouwen afgewerkt. In principe zit Van der Meulen dan gezellig in Sneek. Door een blessure miste hij in september vorig jaar het EK in Den Bosch en Eindhoven. Hij zat als niet-spelende invaller op de bank. “Ik ben wel olympisch, maar geen Europees kampioen. Ik was er in het laatste geval wel bij, maar vind niet dat ik een aandeel in het succes heb gehad.” Kort daarop liet Van der Meulen bondscoach Toon Gerbrands weten slechts in noodgevallen nog beschikbaar te zijn voor oranje. “Ik verwacht niet dat ik nog uitkom voor het Nederlands team. Dat zou ik niet goed voor mezelf vinden. Ik heb een beetje de instelling van: het komt zoals het komt. Toon weet me te vinden. Misschien vraagt hij me wel terug, maar ik zal er dan geen lekker gevoel bij hebben.”

Olympische Winterspelen zijn voor de volleyballer een nieuw fenomeen. “Wat me opvalt is dat het in zo'n kleine stad als Nagano georganiseerd kan worden. Wat? Zijn er in het recente verleden ook Winterspelen in dorpen geweest? Het is in ieder geval onvergelijkbaar met de Zomerspelen van Barcelona en Atlanta. Je zou een grote drukte in de stad verwachten, maar dat is niet het geval.” Een kandidaat voor de winterversie van de Olympische Spelen is Van der Meulen nooit geweest. Hij heeft, als Cios-student, schaatsles gehad van Henk Gemser, maar een uitgesproken talent had hij voor een andere sport.

Van der Meulen is niet weg te slaan uit het Holland House. “Ik kan hier lekker Nederlands praten. Daar was ik hard aan toe. Contacten met andere sporters heb ik niet. Guido Görtzen speelt in Osaka, dat is te ver weg. Arnold Scholten schijnt in Tokio te voetballen, maar hem heb ik nog nooit ontmoet. Ik kan me voorstellen dat iemand als Erna Brinkman het in Japan snel voor gezien hield. In landen als Italië, België, Duitsland en Brazilië is het prettiger leven. Daar kun je goed uit eten gaan en zo.” Het grote geld verzoet veel, zo niet alles. “Wat dat betreft heersen hier geen Italiaanse toestanden over niet of veel te laat betalen van salarissen. De club komt keurig zijn verplichtingen na.”

mailIcon print |