KRUGERSDORP - Langzaam hobbelt een kleine vrachtauto het terrein op. Hij ziet eruit als een vleeskoelwagen met bovenop een paar draaiende ventilators. Een deurtje in de zijkant van de wagen wordt geopend en een voor een springen ze eruit. Niet veertig of vijftig jonge mannen, zoals ons is verteld, maar wel negentig of honderd, die het behoorlijk benauwd gehad moeten hebben. Onder het geblaf van een herdershond en een paar straffe commando's van bewakers, stellen ze zich op in een lange rij en schuifelen ze langzaam de trein in.
Voor hen is de thuisreis begonnen. Hier, op een verlaten rangeerterrein midden tussen de afvalbergen van de mijnen ten westen van Johannesburg, vertrekt elke woensdagmiddag rond twee uur een speciale trein die ruim duizend illegalen terugbrengt naar Mozambique. Vanaf andere plekken vertrekken treinen naar Zimbabwe of Namibië en vliegtuigen naar bestemmingen elders in Afrika. Elk jaar zet Zuid-Afrika bijna 200 000 mensen uit, in een wanhopige poging de vloed illegalen te stuiten.
Het zijn zonder uitzondering jonge jongens die de wagon inklimmen, ergens tussen de vijtien en twintig maar sommigen niet ouder dan twaalf of dertien jaar. Slechts een enkeling heeft een tas met wat spullen bij zich, anderen dragen nog de werkkleren waarin ze zijn opgepakt. In het detentiekamp hier vlakbij, waar ze de laatste dagen gezeten hebben, hebben ze nog een maaltijd gehad. Sommigen hebben er nog een witbrood gekocht dat ze stevig vastklemmen, want daarmee moeten ze het doen tot de volgende ochtend in Mozambique.
Jimmy, afkomstig uit de Mozambikaanse hoofdstad Maputo, is al sinds 1988 in Zuid-Afrika. Hij is opgepakt bij een van de acties waarin leger en politie samen wegblokkades opzetten en papieren controleren. “Maar ik heb in al die jaren altijd hard gewerkt, geen rotzooi geschopt en geen misdaad begaan. Waarom zetten ze mij eruit?”, vraagt hij boos. Hij is dan ook vast van plan direct weer terug te keren, hier in Zuid-Afrika heeft hij immers zijn baan, zijn thuis, een vriendin.
Terugkeren lijkt voor al deze jongens de enige hoop in het leven. Alleen José zegt dat hij, na drie jaar Zuid-Afrika, nu misschien wel een tijdje bij zijn familie in Maputo blijft. Maar als hij daar niets te doen vindt, tja dan, op den duur....
Zuid-Afrika binnenkomen is geen enkel probleem. Het land heeft een paar duizend kilometer grens dat voor een groot deel bestaat uit nauwelijks bewoonde natuur- en landbouwgebieden. Aan de grens met Mozambique wordt wel veel gepatrouilleerd en staat zelfs een hek (dat in de apartheidsjaren korte tijd zelfs onder hoogspanning stond) maar ook daar kom je makkelijk doorheen. Aan beide kanten zijn netwerken van behulpzame smokkelaars, die de nodige betaling opeisen.
De meeste jongens die vandaag op de trein gaan, zijn dan ook over een paar weken terug. Sommigen zien dit als een aardige vakantie. Even gratis de familie bezoeken, grapt een van de bewakers in de wagon terwijl hij de inzittenden het commando geeft om een lied in te zetten. Het bevel wordt massaal opgevolgd, al klapt en zingt een enkeling met duidelijke tegenzin. “Het is goed naar huis te gaan”, is de titel van het lied dat door de trein galmt.
Twee bewakers in elke wagon zorgen voor de discipline. Het is een gewone passagierstrein zonder tralies en iedereen heeft een zitplaats. Maar als het commando 'Tjafkop' klinkt, moet elke arrestant met zijn hoofd op zijn knieën gaan zitten, met de handen in de nek en de mond dicht. Pas als er 'Amen' wordt geroepen mogen ze, na een massaal teruggebruld 'Amen sergeant', overeind komen.
De jongens laten het allemaal gelaten over zich heen komen. Het antwoord op de vraag wat hen in Zuid-Afrika bracht, is steevast hetzelfde: werk en geld verdienen. De een werkte in de bouw, de ander loste vrachtwagens, een derde deed wat met auto's. In de grensstreken tref je ook massaal illegalen aan op boerderijen. Een enkele boer geeft aan het eind van de maand zijn 'eigen' illegalen aan, in de hoop dat ze vóór betaaldag worden opgepakt en uitgezet. De vrouwelijke illegalen, in een aparte wagon, werkten in restaurants, haarsalons of, al verzwijgen ze dat meestal, de prostitutie.
Zuid-Afrika heeft veruit de meest ontwikkelde economie van het hele continent. Johannesburg met zijn fabrieken, goud- en kolenmijnen, handelshuizen en banken werkt als een magneet. 'Egoli' heet de stad in Afrikaanse talen, wat letterlijk Goudstad betekent. Zelfs het kleinste beetje geld - veel illegalen werken voor vijf of tien gulden per dag - is al meer dan de volstrekte armoede thuis. En in de krottenwijken is altijd wel een plek om een hut te bouwen en gratis te wonen. Alexandra, een grote township aan de noordkant van Johannesburg, heeft zelfs al zijn eigen 'Mozambikaanse' wijk.
Het huidige illegalenbeleid van de regering Mandela, een beleid dat valt onder Inkatha-leider en minister van binnenlandse zaken Buthelezi, is een voortzetting van dat uit de apartheidsjaren: oppakken en uitzetten. Maar er gaan de laatste tijd stemmen op de illegalen te gedogen. Hun aanwezigheid is immers helemaal niet negatief, betogen enkele academici. Mischien moeten we ze maar gewoon accepteren en zelfs legaliseren. De meesten werken immers hard, ze doen werk dat Zuid-Afrikanen niet willen doen, velen zetten bedrijfjes op die banen scheppen en ze brengen initiatief en vaardigheden het land in.
Maar de doorsnee Zuid-Afrikaan denkt er heel anders over en dat is een sentiment waar de regering ook terdege rekening mee dient te houden. Ze pikken de banen en huizen in, ze zijn verantwoordelijk voor de misdaadgolf en ze plukken de vruchten van onze wederopbouwplannen, zo heet het op straat.
Daar wordt naar illegalen soms verwezen als 'die zeer zwarten' omdat mensen buiten Zuid-Afrika vaak donkerder van huidskleur zijn. Als de trein naar Mozambique stilhoudt op het station in Johannesburg, breekt daar af en toe op de andere perrons spontaan gejuich uit, wanneer de mensen horen dat dat er illegalen in zitten die het land uit worden gezet.
“Ik heb sympathie met deze jongens. Thuis is er niets voor ze, dus is hierheen komen hun enige hoop. Je kunt het hen niet kwalijk nemen”, zegt inspecteur Willmot, de politieman die de hele treinoperatie leidt. “Het enige wat ik kan doen, is zorgen dat het allemaal een beetje menselijk verloopt. Geen wagons met tralies, geen bewakers met geweren en knuppels. Natuurlijk springt er af en toe een jongen uit zo'n trein, vooral aan het eind van de nacht als de bewakers moe zijn. Maar op zo'n vluchteling ga je toch niet schieten, dat is toch geen mensenleven waard? En sinds een vluchteling met een wapenstok in elkaar is geslagen, heb ik ook die afgeschaft.”
Zo'n transport is dweilen met de kraan open, bevestigt hij, maar er is geen alternatief. De enige echte oplossing, zegt ook de regering Mandela, is de economische ontwikkeling van alle landen in Zuidelijk Afrika, zodat mensen niet meer de noodzaak voelen om uit hun land weg te trekken. Maar dat is een remedie die pas over jaren vruchten kan afwerpen, over tien, twintig, vijftig jaar? En intussen rijden de treinen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.