Van onze parlementsredactie DEN HAAG - De CDA-fractie in de Eerste Kamer staat onder toenemende druk van de eigen partij om zich heen te zetten over haar bezwaren tegen een wettelijk recht op een deeltijdbaan. Na het CDA-Vrouwenberaad heeft een conferentie van zo'n 300 jonge CDA-leden zich het afgelopen weekeinde voor dat recht uitgesproken.
De CDA-senatoren staan vooralsnog weifelend tegenover een wettelijke regeling, op grond waarvan werknemers bij hun bedrijf maximaal één dag in de week arbeidstijdverkorting kunnen opeisen. Hun hoofdbezwaar is dat de wetgever zich begeeft op het terrein van de sociale partners. De CDA-voorkeur is dat werkgevers en werknemers zelf hun verantwoordelijkheid nemen en in de CAO's het recht op deeltijdwerk regelen.
De kwestie wordt actueel bij de behandeling van de initiatiefwet van het Tweede-Kamerlid Rosenmöller, de fractieleider van GroenLinks. De Eerste Kamer is van plan over dat wetsvoorstel te debatteren nadat de Stichting van de Arbeid verslag heeft uitgebracht over het effect van de afspraken die de sociale partners hebben gemaakt om deeltijdwerk te bevorderen, naar verwachting begin april.
De resultaten die de sociale partners blijkens dat stichtingsrapport hebben geboekt in de bevordering van deeltijdwerk zullen van grote invloed zijn op het standpunt van de CDA-fractie, meldde senator Werner gisteren desgevraagd. Ook de Tweede-Kamerfractie is in gespannen afwachting van het rapport. De fractie van Heerma was vorig jaar zwaar verdeeld over de wet-Rosenmöller. Een grote minderheid, ongeveer een derde van de fractie, was voorstander van het wettelijk recht op deeltijdarbeid en neigde daarom tot steun aan Rosenmöllers initiatief.
Belofte
Fractieleider Heerma kon deze fractieleden alleen binnenboord houden met de belofte dat het CDA dit voorjaar met een eigen initiatiefwet op de deeltijdarbeid zou komen, mochten de sociale partners tekortschieten met hun afspraken. In theorie is het mogelijk dat de Tweede-Kamerfractie haar initiatief presenteert op het moment dat de Eerste Kamer over de wet-Rosenmöller oordeelt.
Behalve het Vrouwenberaad en de jongerenconferentie heeft ook het Wetenschappelijk Instituut van het CDA de senaatsfractie onder druk gezet. In zijn recente rapport over een christen-democratisch gezinsbeleid verheft het Instituut deeltijdarbeid tot een essentiële voorwaarde om betaalde arbeid en de zorgtaken thuis over beide partners te verdelen. Letterlijk staat in het rapport dat bevordering van deeltijdwerk 'de strategische hoofdlijn' in het gezinsbeleid van het CDA moet zijn.
Niettemin wenst ook het Wetenschappelijk Instituut het stichtingsrapport af te wachten: “Als uit de evaluatie van de Stichting van de Arbeid blijkt dat het aantal deeltijdbanen niet substantieel is toegenomen en er geen aantoonbare omstandigheden zijn die een toename hebben verhinderd, is een wettelijk recht op deeltijdarbeid noodzakelijk.”
Rosenmöller heeft zijn wetvoorstel op een aantal punten aangepast om het CDA tegemoet te komen. Zo stelt hij voor het wettelijk recht op deeltijdwerk te laten wijken voor afspraken die werkgevers en werknemers in CAO's over dit onderwerp maken.
Hij bestrijdt de stelling van het CDA dat werknemers met midden- en hogere inkomens sterk genoeg staan om zelf bij hun werkgever een deeltijdbaan te regelen.
Hij wijst op onderzoek van de Organisatie voor strategisch arbeidsmarktonderzoek waaruit ook onder deze inkomensgroepen een grote behoefte aan een wettelijke regeling naar voren komt: “Ook in hoge functies slagen werknemers er niet in hun werkgever te overtuigen van het belang van werken in deeltijd. Niet zelden gaat het daarbij om functies die worden uitgevoerd in een cultuur waarin langdurig en veelvuldig overwerk bijna tot norm is verheven.”
Uit dat onderzoek blijkt verder dat vooral onder werknemers in de dienstverlening grote behoefte aan deeltijdwerk bestaat. Rosenmöller houdt de CDA-fractie voor dat juist in deze sector relatief veel bedrijven geen CAO kennen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.