De Vaticaanse instructie over 'medewerking van leken-gelovigen aan het dienstwerk van priesters', in de zomer afgekondigd en in het najaar verspreid, wekt beroering, terwijl daarin niets nieuws staat. Daarom wekt de beroering, die zich uit in ergernis, op haar beurt verbazing. Althans bij mij. Waarom gaat het? Het document poogt 'een helder en gezaghebbend antwoord' te verschaffen op vragen uit de Wereldkerk omtrent bevoegdheid van geestelijken (clerici) enerzijds en leken (laici) anderzijds. Het beoogt 'precieze richtlijnen' te geven. Niet minder, zo voeg ik eraan toe, maar ook niet meer. Verheldering is altijd heerlijk. Verdoezeling is altijd schadelijk.
De Osservatore Romano van 15-09-1997 licht onder verwijzing naar de 'leer van het Tweede Vaticaans Concilie' en de 'positieve rol van de leken in de zending van de Kerk' nadien de instructie toe door te wijzen op het huidige 'functionalistisch' en 'individualistisch' denken. Deze mentaliteit - zo verklaar ik in eigen gedachtegang nader - stelt functionaliteit in plaats van hoedanigheid en individualiteit in plaats van gemeenschapszin. Indien alleen de functie ertoe doet, is het gewijde ambt als wijze van zijn vervangbaar. Indien alleen het individu ertoe doet, is persoonlijke gelding in het geding. Priesterschap is meer dan verrichting van functie en meer dan streving van individu. De gewijde ambtsdrager is bisschop of priester of diaken ondanks zichzelf. Heiligheid is dunkt mij eerder bereikbaar voor leken dan voor geestelijken.
Niettemin, om terug te keren naar het uitgangspunt, de richtlijnen geven wreveligheid. Sedert kort heb ik zitting in een diocesaan moppercollege van priesters, waarbij mij bijkans de oren van het hoofd vallen, opgelost als zij dreigen te worden in het zuurgehalte van de vergaderaars. Ook bij die mopperaars kwam onlangs dit Vaticaanse stuk ter sprake. Het zuurgehalte steeg daardoor zo mogelijk nog. En dezer dagen heeft ook een Leidse emeritus-brompot - een oude brompot derhalve - zich geuit over 'dit verbijsterende geschrift' dat naar zijn inzicht 'voor de nodige onrust en conflicten kan zorgen' (Trouw van 7-01-1998). De klaarblijkelijke irritatie doet zich niet alleen voor in de Nederlands-talige gebieden maar ook in de Duits-sprekende streken. Hieromtrent geeft het blad Herder-Korrespondenz van deze januarimaand een grondig overzicht, terwijl het tevens gewag maakt van een enkele vergelijkbare reactie in Engeland en Frankrijk.
Vanwaar deze reacties van onbegrip en gewaarwordingen van boosheid in Noordwest-Europa jegens richtlijnen van Romeinse preciesheid? Allereerst kunnen mijns inziens noorderlingen slecht leven met wetgeving van idealiteit die niet terstond strookt met dagelijksheid van realiteit. Rubrieken leiden bij zuiderlingen zelden tot rubricisme, terwijl bij noorderlingen alleen door ongehoorzaamheid aan rubricisme wordt ontkomen. Hoewel deze eigenschap mijns inziens meer voorkomt bij de ouden dan bij de jongen, is zij op zichzelf prijzenswaardig. Waarom geen nauwkeurigheid alom? Niet minder prijzenswaardig is de herderlijke bewogenheid, die uit het protest spreekt, jegens de leken-gelovigen aan het dienstwerk van de Kerk. De herderlijke mopperaars, met wie ik tegenwoordig vergader, acht ik alleen al hoog om hun pastorale betrokkenheid. Voorts valt momenteel het gebrek aan priesters niet te ontkennen. Maar vanwaar dit gebrek? Stellig, om het te weinig begrepen celibaat. Wellicht, om de onaanzienlijkheid van de gewijde ambtsdrager die soms veracht wordt door de geschoolde vrijwilliger. Meer nog, dunkt mij, om de democratisering van mentaliteit die meer denkt in kwantiteit dan in kwaliteit. Vooral toch, zo is mijn overtuiging, om gebrek aan geloof in de vleeswording van de Zoon van God Die bij het Laatste Avondmaal Zijn apostelen heeft gekozen en met hen opvolgers en helpers van opvolgers. Laat ik ten slotte evenwel even het Romeinse standpunt verwisselen voor dat van de Reformatie. Ook bij de protestanten kan meesttijds niet zo maar iemand de preekstoel bestijgen, tenzij hij of zij daartoe is beroepen of voor de gelegenheid uitgenodigd.
Waarom zou niet eenieder in de Kerkgemeenschap in nederigheid de eigen evenwaardige plaats willen innemen, wars van macht of eigenbelang of afgunst?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.