*

 
dossier

Archief

Bedrijfsleven nooit gebruiken voor mislukkende politiek

HANJA MAIJ-WEGGEN; M. VERHAGEN − 29/01/98, 00:00

Hoe ver reikt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van internationaal opererende bedrijven?

Moet een bedrijf het land verlaten wanneer in dat land de mensenrechten stelselmatig geschonden worden? Gelden buiten Europa andere normen en waarden dan wij gewend zijn? Over deze en andere vragen ging het CDA onlangs in discussie met een groot aantal vertegenwoordigers van het Nederlandse bedrijfsleven, vakbonden, actiegroepen en de overheid. Dit in het kader van een symposium onder de titel 'Verantwoord internationaal ondernemen: investeren in markt, maatschappij en mensenrechten', georganiseerd door de Commissie Buitenland van het CDA in samenwerking met de CDA-delegatie in het Europees Parlement. Ofschoon sprekers als Jaques Schraven (Shell NL) en Adri Kemps (Amnesty International NL) een opvallende eensgezindheid vertoonden en polemiek uitbleef, wil het CDA deze thematiek hoog op de maatschappelijke en politieke agenda houden.

De poldereconomie dendert door. Winsten, koersen en orders schieten omhoog. De samenleving profiteert hier in belangrijke mate van. Naast de kwantitatieve successen verdient echter ook de kwaliteit aandacht. In dat licht zien we met name het laatste jaar twee tendensen: de bijna-heilige marktwerking en shareholdervalue als dogma aan de ene kant, en het toenemend maatschappelijk bewustzijn van (multinationale) ondernemingen aan de andere kant. Dat dit laatste soms een mix is van werkelijke betrokkenheid en pragmatische public relations is een andere discussie. Steeds vaker zijn (multinationale) bedrijven bereid om een soort van gedragscode in te voeren: een richtlijn waaraan het bedrijf en zijn personeel zich wereldwijd wil en moet houden. Deze codes worden tegenwoordig vooraf besproken en afgestemd met maatschappelijke groeperingen als Amnesty International, milieubewegingen en vakbonden. Meer en meer worden bedrijven zich bewust van het feit dat ze, om goed, verantwoord en menswaardig te opereren, deze richtlijnen ook openlijk moeten uitdragen. Sinds het openbaar mea culpa van Shell staat het onderwerp definitief op de agenda en betekent verantwoord internationaal ondernemen méér dan alleen investeren in markt en/of het verhogen van de bedrijfsrendementen. Anno 1998 vergt internationaal ondernemen evenzeer grootschalige investeringen in maatschappij en mensenrechten. Of, om met Kemps te spreken: “Internationale bedrijven zijn als pionnen in het veld verplicht hun bijdrage te leveren aan de bescherming van mensenrechten en de bevordering van respect voor mensenrechten.”

Zeker in een tijd waarin bedrijven steeds groter worden, steeds internationaler gaan functioneren en steeds meer los komen te staan van landen en van de aldaar geldende rechtsorde, komt de vraag op of en hoe deze multinationale ondernemingen op een verantwoorde manier omgaan met hun macht, invloed en positie. Of is er in deze sprake van een bepaalde maatschappelijke plicht - noblesse oblige - van bedrijven?

Maatschappelijk ondernemen betekent dat op terreinen als mensenrechten, sociale omstandigheden, milieu, kinderarbeid en duurzame productie bedrijven meer doen dan winst genereren en aandeelhouders tevreden stellen. Vragen die een onderneming zich dan kan stellen zijn er legio:

Moet een bedrijf het land verlaten wanneer de mensenrechten zwaar geschonden worden? Gaan economische belangen samen met maatschappelijke waarden en normen? Wat is het alternatief wanneer kinderarbeid afgeschaft wordt? In hoeverre kan een onderneming rekening houden met het gebruik van natuurlijke grondstoffen en energie? Welke rol kunnen multinationals spelen bij internationale samenwerking? Hoever reikt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van een bedrijf?

Steeds meer bedrijven formuleren gedragscodes en andere richtlijnen voor hun personeel en voor zichzelf. Belangrijk hierbij is dat deze afspraken gedragen worden door het hele bedrijf in binnen- en buitenland en niet alleen de 'hobby van de baas' zijn. Voorts is het van belang, ook voor de geloofwaardigheid bij de kritische consument en maatschappelijke organisaties, dat de gestelde richtlijnen zowel intern als extern nageleefd worden en niet beperkt blijven tot goede bedoelingen. En natuurlijk zal een onderneming bij het willen naleven van de gedragscode soms moeten kiezen tussen extra winst of marktaandeel en maatschappelijke waarden en normen. Maar dit heikele koopman/dominee-dilemma is al zo oud als de weg naar Indië. Dat steeds meer ondernemingen, wereldwijd, het bovenstaande in hun ondernemingsbeleid verankeren blijkt uit het ontstaan van verschillende internationale netwerken van maatschappelijk ondernemen. Business in the Community, European Network for Social Cohesion en (in)formele samenwerkingsverbanden in VNO-NCW-verband tonen aan dat het onderwerp leeft. Naast deze netwerken zijn ook veel individuele bedrijven bezig met het onderwerp. Van belang is natuurlijk wel dat ook ten tijde van laagconjunctuur ondernemingen de door henzelf geformuleerde richtlijnen en gedragscodes blijven naleven.

Voor het noodzakelijk streven naar sociale cohesie in de samenleving in Nederland, maar zeker ook daarbuiten, vervullen gedragscodes en convenanten in het internationaal bedrijfsleven een meer dan nuttige functie. Met name in landen in opkomst als die in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie, Afrika en delen van Latijns-Amerika, waar tot voor kort ondemocratische regimes aan het bewind waren, is investeren in markt, maatschappij, milieu en mensenrechten essentieel en noodzakelijk. Dit opdat het machtsvacuüm in deze landen niet wordt opgevuld door maffiose partijen en met hard casino-kapitalisme. Aldus kunnen multinationals een belangrijke rol spelen bij het opbouwen van een zo gewenste verantwoordelijke samenleving in deze landen, op basis van deugdelijk bestuur.

Juist ook omdat de maatschappij (bedrijven, consumenten, NGO's, actiegroepen) zo nadrukkelijk met dit onderwerp bezig is, is het een taak en plicht voor de politiek dit onderwerp op te pikken. Dit eveneens omdat de politiek een integrale afweging kan en moet maken en niet gehinderd wordt door deelbelangen. 'Het bedrijfsleven heeft een sterke overheid nodig: om de nationale regels vast te stellen met betrekking tot activiteiten in het eigen land en via intergouvernementele samenwerking als het gaat om zaken die buiten de landsgrenzen spelen', aldus Schraven op het CDA-symposium.

Momenteel is de politiek echter afzijdig, waarom toch? Bang uit handelspolitiek oogpunt? Terughoudend om het bedrijfsleven voor de voeten te lopen? Te weinig electorale mogelijkheden?

Waar juist de politiek een sturende, initiërende, stimulerende en faciliterende rol zou kunnen en moeten durven spelen is ze afwezig. Vervangen door belangengroeperingen en bedrijfsleven, terwijl de politiek duidelijk haar rol heeft hierin. Een situatie die we hebben gehad in Nigeria rond Shell is hierbij illustratief.

In een poging om het ontbreken van adequaat beleid te maskeren werd het oliebedrijf onterecht hard door de Nederlandse Minister van Ontwikkelingssamenwerking aangepakt. Wij zijn van mening dat het bedrijfsleven nooit gebruikt mag worden voor de uitvoering van een beleid, wanneer de overheid in dat beleid tekort schiet. In plaats daarvan moet er een voortdurende dialoog zijn tussen overheid en bedrijfsleven. Een voortdurende dialoog om elkaar te versterken, om flaters zoals die van Minister Pronk ten aanzien van Nigeria te voorkomen. Die dialoog zoal bovendien ervoor kunnen zorgen dat mensenrechten nooit 'geprivatiseerd' worden en dat normering en handhaving 'naar believen' worden ingevuld. Ook hier ligt duidelijk een rol van de overheid en de politiek, deze mogen zich niet langer (al dan niet uit handelspolitieke overwegingen) afzijdig houden.

Het CDA heeft zich altijd een voorstander getoond van een sterk bedrijfsleven, maar eveneens benadrukt het CDA het belang van de overlegeconomie. Het CDA wil bewerkstelligen dat alle betrokkenen in een voortdurende dialoog belanden ten aanzien van het opstellen, uitvoeren en afdwingen van internationaal geldende gedragscodes. De politiek heeft daarbij een meervoudige waarde: zij is regisseur, adviseur maar ook controleur tegelijkertijd. Bovendien kan de politiek in internationaal verband (denk hierbij aan de ILO, de WTO, de OESO maar ook aan bilaterale of unilaterale handelsovereenkomsten) het draagvlak naar mondiaal niveau tillen. Bij maatschappelijk ondernemen staat het christen-democratisch gedachtegoed centraal: solidariteit, gerechtigheid, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid. In het onlangs gepubliceerde concept-verkiezingsprogramma van het CDA 'Samen leven doe je niet alleen' is de kern-boodschap als volgt omschreven: 'Bedrijfsinvesteringen in andere landen hebben niet alleen economische waarde, maar zijn ook een mogelijkheid om waarden te exporteren als sociaal-ecologisch en mensenrechtenbewustzijn. Nederland steunt en bevordert het hanteren van gedragscodes door ondernemingen en het afsluiten van convenanten tussen vakbonden, milieu- en mensenrechtenorganisaties en multinationale ondernemingen over het repecteren van sociale, ecologische en mensenrechtennormen door bedrijven in andere landen.'

Het is op basis van deze uitgangspunten en het christen-democratisch gedachtegoed, vertaald naar de actualiteit van vandaag dat het CDA het debat over verantwoord internationaal ondernemen wil blijven aangaan. Het moet immers mogelijk zijn om de universele mensenrechten daadwerkelijk universeel gerespecteerd te krijgen. Het moet ook zo zijn dat kinderen, waar ook ter wereld, van een zo goed mogelijke jeugd kunnen genieten, kunnen leren en zich verder vrij ontwikkelen; dat vrouwen, minderheden en andere kwetsbare groepen de steun krijgen die ze nodig hebben; dat werknemers, waar ook ter wereld, van een reeks beschermende maatregelen verzekerd zijn; dat werkgevers met respect en op democratische en eerlijke wijze met hun werknemers omgaan en dat overheden zich houden aan de spelregels die in internationaal verband zijn opgesteld.

mailIcon print |