De auteur is oud-redacteur van Trouw.
God speelt een rol! Niet de hoofdrol, want die is natuurlijk voor de meneer met zijn normen en waarden. Maar wel een belangrijke! Wat zal God in zijn nopjes zijn.
2. Een tijd geleden hoorde ik tijdens een begrafenisplechtigheid een gereformeerd predikant de nabestaanden van de gestorvene troosten met de verzekering dat God “een echte opvang-god is”. Een soort buurthuiswerker, zou je dus kunnen zeggen, bij wie je onder een kopje koffie op verhaal kunt komen.
3. Onlangs stierf een vooraanstaand theoloog. Iemand uit de kring van zijn geleerde vrienden vroeg zich volgens de krant af of God de overledene, nu deze eenmaal in de hemel was beland, wel een preekconsent zou verstrekken - familiariteit met het Opperwezen die misschien heeft gediend om aan te geven dat de gestorven godgeleerde een eigenzinnig man was geweest. Maar tegelijkertijd zal de grappenmaker hebben geincasseerd dat hijzelf voortaan te boek zal staan als iemand die bij alle gestudeerdheid toch een kinderlijk geloof heeft behouden, wat een groot punt in zijn voordeel is.
Waarom deze kleinigheden hier te berde gebracht? Omdat het mij dunkt dat wie 4 november vorig jaar in de bijlage Letter & Geest van deze krant de beschouwing van Andreas Burnier over joden en christenen in deze agnostische tijd heeft gelezen, dit soort voorvalletjes met een ander oog gaat bezien.
Het heeft mij verbaasd dat er na de publikatie van dit verhaal van Burnier niet een wekenlange polemiek van Trouw-lezers is losgebarsten want het impliceert, hoezeer ook op bedaarde toon geschreven, een ondervraging van het christendom en van christenen (en dus ook van menig Trouw-lezer, zo mag je veronderstellen) die op zijn minst lastig is.
Zoals elk kranteartikel met een bepaalde bedoeling wordt gepubliceerd - namelijk: om op een of andere manier een zeker aspect van de actualiteit te belichten - zo zal de Trouw-redactie in het huidige tijdsgewricht een reden hebben gezien de beschouwing van Burnier onder de aandacht te brengen van de lezers.
Bejaarden zoals ik herinneren zich dat het in een ver verleden wel gebeurde dat er plotseling stukken over de filmkunst of over de diepere bedoeling van de zondagsrust in Trouw werden gepubliceerd - dat was dan om ons voor te bereiden op de introductie in zijn kolommen van filmrecensies of van verslagen van op zondag gespeelde wedstrijden.
Met deze dressuur nog in de benen, heb ik dan ook angstig de billen saâmgeknepen toen er luttele weken na de publikatie van Burniers stuk een artikel verscheen over de ware betekenis van het scheppingsverhaal uit Genesis. Eerst Burnier en nu dit weer! Was de redactie begonnen thans definitief het geloof der vaderen bij het grof vuil te zetten? Maar de lezers hadden weer niets in de gaten, of het kon hen niets schelen: opnieuw bijna niemand die de moeite nam achter het tv-scherm vandaan te komen om per ingezonden stuk te protesteren. (Dat gebeurde pas toen Youp van 't Hek op dat scherm te zien was geweest.)
Onderscheid
Waar gaat het om in de beschouwing van Andreas Burnier? Ik zal niet proberen het stuk samen te vatten. De kern zit voor mijn gevoel daar waar het diepste onderscheid tussen het joodse en christelijke godsbesef wordt verklaard. Ik citeer: “De gedachte dat een mens 'God' zou kunnen zijn, of omgekeerd, dat God in een mensengedaante zou kunnen verschijnen, is in tegenspraak met het joodse mens- en wereldbeeld. In het jodendom geldt: God is één, God is zuiver geestelijk, God heeft geen voor mensen zichtbare gestalte. De aanbidding van een mens, als ware zij of hij God, is in het jodendom de grootst denkbare blasfemie. (. . .) Maar de gedachte dat God, de eeuwige, de Schepper en Instandhouder van het Al, de gedaante van een joodse man zou aannemen, is voor het religieuze jodendom buiten alle proporties.”
Voor de jood is de godheid 'zuiver geestelijk', zij is een Beginsel, naar het woord van de Franse bijbelvertaler André Chouraqui niet alleen zonder gedaante, maar ook zonder naam of adres. De godheid een naam geven en zomaar aanspreken of iets van haar verlangen is voor de religieuze jood ongehoord en ondenkbaar. Wij weten dat christenen aanmerkelijk minder preuts zijn: die hebben nooit enige moeite gehad God met alles en nog wat lastig te vallen en voor alle mogelijke kerkelijke, politieke en maatschappelijke karren te spannen. Deze banalisering van het Opperwezen lijkt nog toe te nemen naarmate het kerkelijk leven terrein verliest. Men lijkt de godheid 'dichterbij de mensen te willen brengen', zo'n beetje op de manier waarop men de kloof tussen kiezer en gekozene zou willen dichten. De drie anekdotes hierboven zijn voorbeelden van die vulgarisatie.
De onderscheidene religies hebben, bij alle verschillen, eenzelfde bedoeling, zo besluit Andreas Burnier haar stuk: zij helpen ons beseffen wat de zin is van ons vluchtige bestaan. Men roeie met de riemen die men heeft! Wij weten dat zijzelf zich in de joodse traditie thuisvoelt; zij stelt vast dat jodendom en christendom onverenigbaar zijn en onthoudt zich verder van alle oordeel en commentaar.
Afgodencultus
Het ontstaan van de joodse religie is destijds een grote stap vooruit in de beschavingsgeschiedenis geweest. De kleine stam van Abraham maakte zich los van de in veel opzichten gruwelijke idolencultus die in de omringende wereld gemeengoed was en nog lang is gebleven. Zij omhelsde het geloof in de éne godheid, deed de afgoden de deur uit en schafte het kinderoffer af.
Vooral dat laatste moet in die tijd een hoogst omstreden beslissing zijn geweest. Het verhaal van het beklemmende avontuur van Abraham en Izaük op de berg Moria gaat erover. Hoe de tijdgenoten dit hebben ervaren laat zich raden: het roekeloze gedrag van die eigengereide abrahamieten die de goden onthielden wat hun toekwam, kon slechts rampspoed over allen afroepen. Men denke zich ook eens de gevoelens in van ongetelde vaders en moeders die hun zoons de vuurdood hadden ingezonden en nu moesten verteren dat dit niet nodig was geweest. De stam van Abraham was een avant-garde die zich de haat en afgunst van de tijdgenoten op de hals moet hebben gehaald. Het is in die tijd dat Leon Poliakov het ontstaan van het antisemitisme situeert.
Abraham zou er misschien niet veel van begrijpen als hij bij ons om de hoek kon kijken. Het christendom heeft van de godheid een persoon gemaakt, die persoon met drie vermenigvuldigd en er een hele rij te aanbidden heiligen aan toegevoegd. Ook is er trouwens weer sprake van het offer van een zoon. Er is een godsbesef ontstaan dat niet steeds het niveau van Sinterklaas overstijgt en wegzinkt in een oceaan van onverschilligheid.
Een stap terug in de beschavingsgeschiedenis?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.