*

 
dossier

Archief

jazz

KEES POLLING − 08/10/97, 00:00

AMSTERDAM - De 75-jarige Belgische mondharmonicaspeler Jean 'Toots' Thielemans geldt al sinds de jaren vijftig als een ster in de jazzmuziek. Op zijn instrument heeft hij nog steeds geen gelijke. Van de acht jaar jongere Amerikaanse zangeres Betty Carter kun je dat niet zeggen. Hoewel ze al in 1948 met Lionel Hampton werkte, die haar de bijnaam 'Betty Bebop' gaf, vertoefde zij lange tijd in de schaduw van de echte cracks: Billie Holiday, Sarah Vaughan en Ella Fitzgerald. Pas de laatste tien, vijftien jaar, nog voor de dood van Vaughan en Fitzgerald, maakt zij duidelijk er wel degelijk helemaal bij te horen. En tegenwoordig geldt voor haar hetzelfde als voor Thielemans: ze heeft geen gelijke.

Beide sterren traden maandag in de serie 'Jazz in het Concertgebouw' met hun eigen trio's op in een vrijwel uitverkochte grote zaal. Zo verschillend als hun instrumentkeuze is, zo verschillend waren hun concerten. De Belg koos voor de bekende weg: hij bracht bekende, welluidende deuntjes, schitterde op zijn mondharmonica en speelde zelfs een beetje gitaar - aanvankelijk zijn hoofdinstrument. De Amerikaanse verontschuldigde zich tegenover het publiek voor de onorthodoxe keuze van haar repertoire. “Ik hoop niet dat u er bezwaar tegen heeft dat ik nieuwe stukken zing. Die bevredigen me toch het meest.”

Niettemin waren er ook overeenkomsten, en dan doel ik niet op het feit dat ze allebei een compositie van een Braziliaan speelden (Thielemans bracht Eliane Elias' 'Momentos'; Carter vertolkte Djavans 'Be cool'); beiden deden dat zonder enig gevoel voor de subtiele ritmiek en harmonische schoonheid van Braziliaanse muziek!

Schilderen

Nee, wat ze gemeen hebben is dat ze allebei schilderen met klank. Zoals Thielemans op zijn mondharmonica de tonen bindt, zo zetten kunstschilders hun verf op het doek. En de manier waarop Carter in haar zang gevarieerd de noten buigt en verandert, is ook alleen maar te vergelijken met de uiteenlopende wijze waarop kunstschilders als Seurat en Jackson Pollock hun meesterwerken creƫerden.

Thielemans en Carter hebben nog meer gemeen: ze zijn allebei podiumdieren. Op het podium voor een publiek komen ze pas echt tot leven. Ze lardeerden hun optreden met smeuïge anekdotes en gaven zich helemaal in hun muziek. De Belg deed dat rechtop gezeten op een kruk, zijn benen plezierig schommelend, nu eens gericht op zijn musici, dan weer op zijn publiek. De zangeres liep rond, lichtjes swingend, zichzelf met brede armgebaren begeleidend en haar musici aanmoedigend en uitdagend.

Onbekende musici

Een laatste overeenkomst is hun keuze voor jonge musici. Carter doet dat al heel lang. Zij werkt het liefst met onbekende musici, die zij in korte tijd klaarstoomt voor het echte (individuele) werk en die haar daarom op handen dragen. Ze kregen in het Concertgebouw ook alle ruimte om zich van hun beste kant te laten zien, waarbij vooral contrabassist Neal Stanton Caine grote indruk maakte met een dijk van een toon en veel fantasie. Thielemans trad aan met een onbekende Finse drummer, een iets bekendere Belgische bassist en met de in Nederland populaire en blinde pianist Bert van den Brink.

Dat de pianist pas op het laatste moment was ingehuurd bleek toen Thielemans hem tijdens een medley op gitaar gebaarde in te vallen. Van den Brink merkte hier pas iets van toen het publiek begon te lachen. Zijn aandeel leverde hem overigens een groot applaus op. Zijn Belgische werkgever pakte dat sympathiek op door de arm van de pianist in de lucht te steken en zichzelf klein te maken. Op zijn 75ste kan hij dat doen. Lang heeft hij niet meer te gaan, terwijl Van den Brink zijn toekomst nog voor zich heeft.

mailIcon print |