Begin jaren vijftig liep Bertolt Brecht vaak langs het Karlplatz, een onooglijk pleintje in Oost-Berlijn, vlak tegen de rivier de Spree, die op deze plek tot de val van de Muur in 1989 de grens met West-Berlijn vormde. Hij was dan onderweg van een militair complex aan de Reinhardtstrasse, vlak om de hoek van het plein waar zijn Berliner Ensemble repeteerde, naar de Luisenstrasse waar zijn theatergezelschap kantoor had.
Op het Karlplatz zag Brecht die ene populier die de winter van 1946-1947 overleefd had, nog steeds de koudste winter van deze eeuw. De Berlijners hadden in die barre maanden vrijwel alle bomen in de stad gekapt, een andere manier om hout voor hun kachels te verzamelen was er nauwelijks. Maar die Pappel op het Karlplatz was onaangetast gebleven.
Brecht schreef er een prachtig gedicht over (met een spelfout, want Karlplatz moet toch echt zonder s worden geschreven):
Eine Pappel steht am Karlsplatz Mitten in der Trümmerstadt Berlin Und wenn Leute gehn übern Karlsplatz Sehen sie ihr freundlich Grün
De populier overleefde Brecht (die in 1956 op 58-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed) en stierf eind jaren zeventig een natuurlijke dood. Leerlingen van de Brecht-Oberschule in Oost-Berlijn plantten in 1980 op het pleintje drie nieuwe populieren. De herinnering aan de Pappel van Duitslands beroemdste toneelschrijver moest levend blijven.
De bomen zijn weg. Een week geleden kwamen er een paar mannetjes van de plantsoenendienst met een elektrische zaag, en binnen de kortste keren lagen de populieren om. Meedogenloos, zonder aankondiging, om van inspraak maar te zwijgen.
De woede over zoveel botheid is groot. De bewoners van het Karlplatz zijn laaiend omdat hun mooie uitzicht weg is. En wat komt er voor terug? Een groot woningen- en kantorencomplex. Berlijn bouwt verder, nietwaar? De vooruitgang is niet te stoppen.
Brecht-verenigingen zijn in alle staten, niet in de laatste plaats vanwege de datum waarop het onheil plaatsgreep. Het jaar 1998 was acht dagen oud, toen de bomen tegen de vlakte gingen. En 1998 is uitgerekend het Brecht-jaar. Want het is dit jaar honderd jaar geleden dat de schrijver werd geboren en dat feit wordt de komende maanden uitbundig gevierd met tientallen opvoeringen (ook van haast vergeten werk) en feestweken.
Het kwaadst zijn nog wel de organisaties die stadswandelingen in Berlijn uitgestippeld hebben. Stuk voor stuk hebben ze in hun programma de rondleiding 'In de sporen van Brecht' opgenomen. De toerist of Berlijner gaat onder leiding van een deskundige langs alle plekken waar Brecht gewoond of gewerkt heeft. Hotel Adlon bij de Brandenburger Tor natuurlijk (pas gerestaureerd) waar Brecht vlak na de Tweede Wereldoorlog een tijdje verbleef nadat hij uit ballingschap was teruggekeerd; het theater Berliner Ensemble waar Brecht tot zijn dood werkte, de Chausseestrasse waar hij de laatste jaren van zijn leven woonde. En vanzelfsprekend is een bezoekje aan het Karlplatz opgenomen. Of beter gezegd: was. “We kunnen de rondleiding zeker een kwartier inkorten”, zegt een boze gids. “Het is een schande.”
De plantsoenendienst geeft de schuld aan de aannemer die de opdracht voor de kap heeft verstrekt, de aannemer verwijst naar de deelgemeente Mitte die toestemming heeft gegeven, de deelgemeente op haar beurt zegt dat de bomen gewoon op waren.
De betrokken instanties zijn wel danig geschrokken van de woede en opwinding. Er is koortsachtig overleg gaande of er op het plein toch niet op heel korte termijn nieuwe bomen geplant kunnen worden. Probleem is echter dat er op het kleine Karlplatz bijna geen plaats meer is, nu er woningen en kantoren komen.
Zolang het pleintje kaal is, hebben de laatste regels van het gedicht van Bertolt Brecht een wrange klank:
Doch die Pappel dort am Karlsplatz Zeigt uns heute noch ihr grünes Blatt: Seid bedankt, Anwohner vom Karlsplatz Dass man sie noch immer hat!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.