Welke halsbrekende exegetische toeren men ook uithaalt, de persoon van Christus scheidt joden en christenen. De auteur is historicus.
Dit bleek ook weer in het artikel van Peter van 't Riet in Trouw van 28 december. Wat blijft er in zijn stuk over van de Christus, zoals de apostelen en de Kerk Hem altijd gezien en geleerd hebben? Het antwoord hierop moet helaas wel luiden: bijzonder weinig. Dit kan natuurlijk ook niet anders als men een zo groot en bijna exclusief gezag aan de rabbijnen toekent. Niemand zal overigens ontkennen dat er veel van hen te leren valt. Maar over de Christus van het Nieuwe Testament hebben zij niets te zeggen. Zij wijzen Hem immers af. En hoe men het ook wendt of keert, welke halsbrekende exegetische toeren men ook uithaalt: de persoon van Christus brengt scheiding tussen joden en christenen. Waarom dit niet volmondig te erkennen? Joden hebben hier in ieder geval veel minder moeite mee dan christenen. Zij wijzen - en vanuit hun standpunt volkomen terecht - de christelijke interpretatie van het Oude Testament af en winden daar ook geen doekjes om. Dit bleek ook weer in de reactie van de rabbijn Lilienthal.
Maar als christenen zich uitputten om de Schriften alléén met joodse bril te lezen en daarbij grote en fundamentele delen van de christelijke leer overboord gooien kom ik in verzet. Ook intellectueel vind ik het een merkwaardig verschijnsel: christenen die er moeite mee lijken te hebben om christenen te zijn. Ik zou zeggen: men is christen of men is het niet.
Met dit alles ontken ik niet de joodse wortels van het christendom. Natuurlijk is het zo dat het christendom uit het jodendom is voortgekomen. En welke christen is niet vervuld van respect voor het jodendom? Een christen kan echter niet anders dan jodendom en christendom in een evoluerende lijn zien. Zou hij dat niet doen dan zou hij het eigene van zijn geloof verloochenen. In dit verband mag ik herinneren aan de woorden van de tot het christendom overgegane jood Isaac da Costa (1798-1860), die in één van zijn Bijbellezingen opmerkte dat het christendom de “ontvouwing en vervulling is van het zuiver goddelijke Jodendom, namelijk dat in het Oude Testament is vervat in Mozes en de Profeten”.
Voor een man als Da Costa, die hiermee niets anders dan de apostolische en kerkelijke traditie volgde, stond vast: “Het Oude Testament is een met oneindige wijsheid en kunst bewerkt slot, waarin vele samengestelde gleuven en kruisgangen zijn, en het Nieuwe Testament is de even kunstig bearbeide sleutel, die er alleen op past en het ook alleen opent. . . en wie draagt die sleutel? Christus en Hij alleen.”
Men hoeft het hiermee niet eens te zijn. Het gaat hier echter wel om het hart van het christelijk geloof.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.