*

 
dossier

Archief

De IJzeren kanselier wás het Duitse Rijk

WIM SLAGTER − 02/01/98, 00:00

Zou er, op Hitler na, één persoon in de Duitse geschiedenis zijn geweest die meer boekenkasten heeft gevuld dan Otto von Bismarck (1815-1898)? En zou er in datzelfde Duitse verleden één man zijn voorgekomen die méér dan Bismarck bewondering en afschuw wist op te wekken?

Op een publicitair gezien niet ongunstig tijdstip - Bismarcks sterfdag wordt op 30 mei voor de honderdste maal herdacht - ligt nu de Duitse en geactualiseerde versie van 'Bismarck and the Development of Germany' in de boekhandel, het in 1990 gepubliceerde driedelige magnum opus van de Amerikaanse historicus Otto Pflanze. De Duitse uitgever heeft gekozen voor een editie in twee banden (het laatste deel verschijnt in het voorjaar), waarbij het jaar 1875 de afsluiting van 'Bismarck - Der Reichsgrunder' vormt.

Dat is niet zo onlogisch, omdat juist dat jaar een omslagpunt in Bismarcks politieke leven betekende. Immers: zijn binnenlandse anti-katholieke maatregelen (Kulturkampf) hadden een onbedoelde, want averechtse uitwerking. Daarnaast leed de 'ijzeren kanselier' een ernstige diplomatieke nederlaag, toen hij bij zijn pogingen om een breed front tegen erfvijand Frankrijk te vormen, uiteindelijk niet de verwachte steun van Engeland en Rusland kreeg.

In de lente van 1875 overhandigde Bismarck, verslagen en vermoeid, zijn ontslagbrief aan keizer Wilhelm I. Hoe zou het historische beeld van Bismarck zijn geweest, indien de keizer in de ontslagaanvrage zou hebben toegestemd? Planze spreekt openlijk over een gemiste kans om met opgeheven hoofd de politieke arena te kunnen verlaten.

Pflanze's relaas is geen biografie in de letterlijke zin van het woord, maar een omvangrijke beschrijving van Bismarcks positie in een staat-in-ontwikkeling, zoals het Duitsland van de vorige eeuw in één woord kan worden aangeduid. Na een kleine dertig pagina's aan jeugd en opvoeding te hebben gewijd, is Pflanze al in 1847 aangeland: het begin van Bismarcks politieke loopbaan als afgevaardige in de Pruisische Verenigde Landtag.

BIj een definitief oordeel over Pflanze's studie behoort ook het nog te verschijnen tweede deel te worden betrokken, maar een enkele typering mag nu niet achterwege blijven. Meer dan de laatste 'grote' Bismarck-biograaf Ernst Engelberg stelt Pflanze de mens naast de politicus. Dat houdt concreet in dat eventuele historische wetmatigheden en een mogelijke directe lijn Bismarck-Hitler in dit boek ontbreken. Veeleer geeft Pflanze een centrale plaats aan het onnavolgbare opportunisme van zijn held, die niet zelden een alles-of-niets-politiek lijkt te voeren. Lijkt, want alleen al Bismarcks berekenende zetten in de 'Luxemburg-crisis' van 1866 (waarbij ook Nederland betrokken was) leren anders.

Pflanze laat zijn waardering voor zo'n staaltje van strategische diplomatie duidelijk blijken, zoals hij anderzijds ook oog heeft voor Bismarcks diepgaande afkeer van Frankrijk, die onder meer tot uiting kwam in het soms misdadige optreden tegen de Franse burgerbevolking tijdens de oorlog van 1870/'71.

Pflanze vat aan het einde van dit eerste deel met een woord van Wilhelm I samen hoe het Duitse rijk anno 1875, Bismarcks schepping, moet worden gezien - én waarin zijn zwakte school: “Hij zelf (Bismarck) weet en voelt dat hij bij zijn leven onvervangbaar is en dat na hem iemand wel zijn positie, maar nooit zijn plaats zal kunnen innemen!”.

mailIcon print |