Wat een voornemen ook mag inhouden, het woord zit vast aan de elementen 'voor' en 'nemen'. Het kan niet slaan op iets dat achteraf komt en het lijkt zich ook niet zo te kunnen ontwikkelen, dat het geen 'nemen', maar een 'ontvangen' gaat betekenen.
Het initiatief wordt gelokaliseerd bij degene die het voornemen maakt. Iets als een zuiver receptieve houding ten opzichte van wat er buiten ons is en waaraan wij deel kunnen nemen, wordt door het woord resoluut uitgesloten. Ook de toevoeging dat het 'maar' om een voornemen gaat en dat een voornemen de hachelijke status deelt van alles wat wij in ons hoofd halen, kan dat niet ongedaan maken. Wat wij ons ook voornemen, wij doen het in elk geval zelf, binnen in ons of zonder overleg met alles wat er verder is, voordat het in feite aan de orde is of naar buiten gebracht, uitgevoerd kan worden; er kan dus nog het een en ander fout gaan. Verder kunnen wij ons voornemens maken op eigen kracht, zonder aan enige instantie iets te vragen.
Die twee dingen samen geven aan het woord en aan het gebruik daarvan een zwakke positie. Dat is de zwakte die inherent is aan elke vorm van autonomie. En die zwakte is het grootst, wanneer zij, zoals hier het geval is, eigen is aan praktische pretenties.
In ons taalgebruik heeft het woord 'voornemen', voorzover ik het overzie, altijd zo'n praktische pretentie, omdat het betrekking heeft op een daad die wij van plan zijn te verrichten of een gedragslijn die wij willen volgen. Het is mogelijk dat het 'nemen' daarmee al verder gaat dan in oudere betekenissen en in de lange voorgeschiedenis van het woord wordt gesuggereerd. In het Grieks en ook in het Latijnse 'propositum', waarnaar ons woord vertaald moet zijn, was wat wij 'voornemen' noemen, nog niet zo rechtstreeks een plan tot handelen, uit zichzelf op een daad gericht, maar kon het ook een voorstelling of voorstel in de geest zijn, een afgerond product van het op eigen kracht werkende denken. Alles wat ik mij zoal denk, kan in die zin 'voornemen' heten. Of het was een 'voorstel' dat niet voorafging aan de uitvoering, maar dat eerst aan anderen werd voorgelegd en dat daarna in onderling overleg tot een besluit werd afgerond en op de werkelijkheid betrokken. En ook dan nog ging het niet over de werkelijkheid als een hard gegeven, maar over die van de samenleving die door mensen gezamenlijk tot stand wordt gebracht.
Zo'n voornemen als product van gezamenlijk overleg is niet het eerste waaraan wij denken als wij het woord nu horen of lezen. Onze gedachten gaan daarbij eerder naar een vrij machteloos individu dat op zijn eentje ferme besluiten neemt - want besluiten kunnen we 'nemen', het een na het ander - en denkt die ook te kunnen uitvoeren of doet alsof hij dat nog steeds denkt. Een groot geloof wordt er gewoonlijk niet aan gehecht.
De weg naar de hel heet met goede voornemens geplaveid te zijn. Wat dit betreft is 'voornemen' zo'n woord geworden als 'belofte', een woord dat door uitgesproken te worden, ook meteen morele verplichtingen schept. Maar evengoed lijkt het op 'bedoeling' en 'intentieverklaring', waarin minder een plicht wordt opgenomen dan een bereidheid uitgesproken. Met de mogelijkheid dat er iets zal gebeuren waardoor de uitvoering van belofte of voornemen wordt verhinderd, is al rekening gehouden in de scepsis waarmee het woord gewoonlijk wordt gebruikt. Die is het noodzakelijke tegenwicht tegen de pretenties die erin worden uitgesproken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.