AMSTERDAM - De agent: “Waar ze die stoeptegels vandaan haalden die vanaf de balkons op mijn collega's zijn gegooid? Die lagen al klaar. Zo'n wijk is het. In heel wat flats staat hier sowieso de honkbalknuppel achter de deur, voor als de politie aanbelt.”
Tien agenten, van wie één met hond, op een pleintje in Amsterdam Zuid-Oost. De agenten zitten op bankjes, hangen wat rond. Het ziet er ogenschijnlijk zo ontspannen uit, maar het klopt niet, zoveel blauw op straat. Vanuit de ramen en portieken van de drie flats van het buurtje wordt naar de agenten geloerd. En boven de drie flatblokken cirkelt laag en dreigend een politiehelikopter. Het voelt als oorlog in Heesterveld - oorlog op een woonerf met frisgeverfde Hollandse laagbouwflats.
Dit weekeinde brak zonder duidelijke aanleiding de pleuris uit. De politie trad op tegen een groep van twintig junks en dealers die al jaren op Heesterveld rondhangt en voor toenemende overlast zorgt. Het optreden eindigde ermee dat de politie stenen naar het hoofd kreeg, zelfs vanuit enkele flats. Twee agenten raakten licht gewond, een politieauto werd vernield. De politie hield twee jongens aan van 13 en 18 jaar.
Toen de politie zondag overdag terugkwam om de overige daders te zoeken, regende het opnieuw bakstenen, ook vanaf balkons. Een groep van meer dan 150 junks, dealers en bewoners wachtte de politie op met nieuwe stapels stenen. Midden in een woonwijk met veel gezinnen met jonge kinderen voerden 25 agenten daarop een charge uit. Vandaag wordt er “extra gesurveilleerd”, zoals dat zo mooi klinkt, om herhaling te voorkomen. Noch de agenten, noch de bewoners zelf vertrouwen de afloop. En zelfs als het rustig blijft, hoe dan verder? Wie heeft er gewonnen? Hoe zijn de posities nu? Dat is een belangrijke vraag in een woonwijk waar de bewoners verdeeld zijn in vijandige kampen: zij die de politie haten, zij die de politie vertrouwen, en - daar tussenin - de velen die zich uit pure angst nergens meer durven te bemoeien.
Olivia, een buurtbewoonster: “De politie zoekt gewoon oorlog. Dit is pure intimidatie. Voor de politie zijn alle mensen die in deze buurt wonen een stelletje achterlijke en drugsverslaafde zwarten. Ons mag je slaan, op ons mag je politiehonden afsturen. Wij zijn toch maar stomme junks. Zaterdag hebben ze Osdairik aangehouden, een jongen van dertien. Zo is het begonnen. Hij luisterde niet direct naar ze, en begon te schelden op de agenten. 'Als jij je bek niet wilt houden', brulden de agenten. Hij kreeg handboeien om. Toen kwam Osdairiks moeder aanlopen. Die moest ook haar 'bek' houden. Osdairik is in korte broek en op slippers in een politiecel gezet. Ik wilde kleren brengen maar dat mocht niet. Wat wil de politie nou? Als ze oorlog willen, kunnen ze het krijgen.”
Een wijkagent: “Die jongen van dertien heeft er wel voor gezorgd dat mijn collega gewond raakte. Het is geen pretje om in deze buurt te surveilleren. Ga maar eens kijken in de boxen. Loop maar eens onder die poort door en voel boven je de ogen in je rug. Ik ben zelf ook al eens gewond geraakt. De sfeer is ontzettend agressief, veel erger dan op Ganzenhoef. Hier komen vooral de Antilliaanse junks. Je kunt niet gewoon even met ze praten, het is meteen schelden, ruzie. Ik weet ook niet hoe we het hier kunnen oplossen. Met tien man politie een pleintje bewaken is natuurlijk ook geen remedie.”
Hazel, een buurtbewoonster: “Er is veel haat tegen de politie. De politie luistert niet. Ik praat regelmatig met de verslaafden hier. Ik weet wat het is, ik ben zelf twaalf jaar aan de dope geweest. Al die jongens die hier in de boxen rondhangen hebben tragische verhalen. Sommigen waren timmerman, eentje is verzekeringsagent geweest.”
Een buurman: “Ik stond net even te telefoneren. Dat mocht niet van de politie. Het lijkt wel een beleg.”
Een jongen van zeventien, op de fiets: “Ik ben in mijn gezicht geslagen met een stok omdat ik door dát poortje naar het metrostation wilde, maar ik moest de andere weg nemen.”
Drie buurtbewoners, twee vrouwen en een man, staan in de tuin en kijken somber. “We hadden het net over onze kinderen. Iedereen met een beetje hart voor z'n kinderen probeert hier weg te komen. Maar vind maar eens een ander huis.”
Haar buurvrouw: “'s Avonds durft niemand hier naar buiten. Ze lopen met pistolen. Het zijn soms mensen die hier zelf wonen. En je durft niets te zeggen. Bang zijn voor je eigen buren, dàt is eng. Zag je die man die net stilletjes bij dit gesprek kwam staan? Zag je die jongen van zeventien met de fiets die een paar meter verderop stond mee te luisteren? Die wilden weten wat wij over hen vertelden. En je moet wel doorpraten, want als opeens het gesprek doodvalt weten ze zèker dat het over hen ging. En dan krijg je het terug.”
De buurman: “Dit zijn Amerikaanse toestanden. Dit zie je op tv, in politieseries. Ik ben blij dat mijn kinderen terug zijn naar Suriname. Ik wil niet met mijn naam in de krant.”
Natalia, 12 jaar: “Gisteren kwam de politie en riep door de megafoon dat we binnen moesten blijven en bij de ramen moesten weggaan. Ik mocht niet eens kijken. Ik vond het juist zo spannend.”
Haar buurman instrueert haar, zoals dat moet bij kinderen in deze straat. “Eén: je mag niet uit het raam kijken omdat je geraakt kan worden door een kogel. Twee: hoe minder je ziet, hoe minder je weet. Onthou dat, Natalia.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.