“Als kind had ik een even onduidelijk als vanzelfsprekend beeld van God. Niet angstaanjagend, al was ik tijdens een onweer altijd wel een beetje bang, maar ik hield van God. Dat heeft natuuurlijk ook wortels in wat mij voorgeleefd werd. Ik had een eenvoudige maar diepgelovige moeder. Mijn vader beschouwde ik min of meer als een heiden - ten onrechte overigens - omdat hij mijn moeder altijd als 'zo vroom' betitelde.”
Na een vrouwenwereld, met vijf oudere zussen, kwam u in een mannenwereld terecht.
“Op mijn achtste jaar ging ik op kostschool bij de broeders in Weert en vervolgens naar het Ignatiuscollege in Amsterdam dat geleid werd door de jezuïeten. Inspirerende kerels, in hun samenhang maar ook als individu. Ik had ineens vele vaders die me vooruit trokken of schopten. Die, behalve in God, ook in mij geloofden.”
U werd zelf jezuïet. Hoe was in die tijd uw beeld van God?
“Terwijl ik in Maastricht over mijn theologische boeken gebogen zat, ging er een wereld open waar ik niks van wist. Na mijn studie werd ik naast muziekleraar ook godsdienstleraar. Ik gaf mijn leerlingen, die onbewust die nieuwe ontwikkelingen meemaakten, alle denkbare godsbewijzen. 'Hoe kun je weten dat je de ware godsdienst hebt, als je de andere godsdiensten niet kent?' 'Ja, hoe kan dat!', loeide de klas. Ik zei: 'Er is er maar een die het weet en dat is God zelf'. Die jongens waren inmiddels tien jaar verder dan ik en namen geen genoegen met dit soort antwoorden. Ik heb met ze gevochten. Op een bepaald moment werd ik er zo gek van dat ik al boos werd als ik een jongen zag.
Pas in 1960 kwam het los. Dat had te maken met een jongetje dat ik vele jaren eerder als leerling had leren kennen. Ik lag met dyfterie in een ziekenhuiskamertje met twee hoge ramen aan de kant van de kapel en een van de paters kwam binnen met de mededeling dat er een zangertje bij was gekomen op het koor. Hij zei: 'luister maar'. Hij zette de ramen open en het jongetje zong: Salve Regina. Dat was Huubje Oosterhuis. Toen hij in '60 zijn eerste liturgische teksten had geschreven benaderde hij mij met het verzoek er muziek bij te componeren en dat was het begin van onze samenwerking. In die jaren sprak ik over God als 'Niveau'. Stel je voor, Niveau! Toch denk ik dat veel mensen het zo voelen. Weten die veel van God? Ben je betoeterd.''
U zegt ergens: 'Religie wordt geboren in haast, uit de behoefte aan een antwoord'. U heeft het niet meer over God, maar over het Geheel. Bezondigt u zich niet aan dezelfde haast?
“Je kunt woorden nu eenmaal niet weglaten, maar daarom gebruik ik er meerdere. Ken je de kop van mijn briefpapier? Daar staat: 'Samen verder', en in kleine lettertjes eronder: 'niet zonder of tegen/ maar voorbij-aan want verder-dan/ De Stad Het Land het Volk Het Boek/ wacht het Al het Geheel de Samenhang de Adem.' Iedere dichter weet hoe beperkend woorden zijn. Maar het verschil tussen Geheel en God is dat God een eigennaam is. Een persoon. Wij westerse chauvinisten denken dat persoon-zijn het hoogste is. Ik heb ontdekt dat er méér is. Aan God voorbij. 'Beyondisme'.”
Waarom kun je het niet houden bij JHWH, de vier letters waarin de eerbied voor het onuitsprekelijke zit opgesloten?
“Die vier letters beschouw ik als iets geweldigs maar te weinig. Mogen ze in mijn album blijven? Natuurlijk, maar we moeten wel verder. De wereld is groter dan JHWH. We weten toch dat er veel meer godsdiensten zijn dan het christendom, en dan hebben we het alleen nog maar over deze aarde. Wat als we daarbuiten gaan kijken? Dat is eindeloos. Het geloof in God ontneemt het zicht op de waarde van het bestaan. Het gaat erom dat we onze eigen plaats weten in het geheel. Klein en tegelijkertijd van ontzettend belang. In samenhang met al het levende. Kijk naar je handen. Die bestaan niet uit helium en waterstof maar uit sterrenstof: moleculen, de zee, de wind, weet ik wat allemaal. Mens, dier, plant, steen, alles is gemaakt van hetzelfde.”
Maar zijn we daarom ook hetzelfde? Onderscheidt zelfbewustzijn de mens niet van de bloem of de steen?
“Wat bloemen en planten niet allemaal uitgevonden hebben! En dan kun je zeggen: 'Man zit niet te kletsen. Planten hebben geen hersenen en je hebt hersenen nodig om te kunnen denken'. Typisch menselijk om zo te redeneren. Een plant heeft wel degelijk een bewustzijn. Een internationaal befaamd specialist in leugendetectoren was in zijn vrije tijd aan het experimenteren. Gooide - de wreedaard - levende garnalen in kokend water en sloot een plant in het laboratorium aan op de leugendetector. Die plant schrok zich een ongeluk, gaf een onhoorbare schreeuw en de leugendetecor sloeg uit. Ik bedoel maar: hoezo geen bewustzijn? Ik praat nu met grassprietjes. Me dunkt, dat had ik vroeger niet kunnen bedenken.”
Het Heelal, het Geheel, het Al, Eenheid, wat zijn de maatschappelijke implicaties van die spiritualiteit? In uw boeken zet u zich af tegen het politiseren van God.
“Ik heb volop meegedaan aan het zogenaamde 'geloven op maandag'. Veel geleerd van de Zuid-Amerikanen. Maar maatschappelijke bewogenheid is niet hetzelfde als spiritualiteit. Marx heeft een heel systeem bedacht om de ellende in de wereld uit te roeien maar wat er aan ontbrak was de spirituele dimensie.”
Maar wat is uw houding tegenover die ellende, de gebrokenheid?
“Een neef wiens dochtertje aan leukemie is gestorven zou tegen mij kunnen zeggen: 'Jij met je 'heelaltje-lief'. Dat hele heelal is onverschillig en koud'. En de mensen in Bosnië: 'Hou op over dank aan het Al'. Ik heb een liedje geschreven met onder andere de regel: 'Onbarmhartig heelal dat smijt met sterren en levens verslindt'. Zo vloekt het een tijdje door, maar het eindigt met de vraag: 'Of is die stem in mij van jou? Ben jij het zelf die mij beweegt, die protesteert, aanklaagt en vloekt en ook de bron van tranen voedt?'. Meer kan ik in liturgie niet zeggen.”
Daarbuiten des te meer. U heeft in woord en daad een sterke zendingsdrang.
“Ja, ik ben een bekeerder. Maar dat is logisch. Als je ziet dat iets niet deugt en je denkt dat je er wat aan kunt doen dan ben je toch een lammeling wanneer je dat nalaat. Dat hoort er bij als je je ergens mee verbonden voelt. Maar ik beoefen, behalve met mijn waffel, ook nog het apostolaat van de stilte en de glimlach.”
Maar 'die waffel' heeft ook mensen van u verwijderd.
“Mensen zijn van nature conservatief. Willen niet verder. En ik rammel aan de poorten van de burcht waarin ze zich hebben opgesloten en roep: je moet wèl verder. Iedereen met een grote mond loopt het gevaar te shockeren. Ik word arrogant en brutaal gevonden. Ik hou niet van boksen maar als je eenmaal aan het boksen bent moet je wel raken. Toch? Het is een worsteling, een gevecht. Met anderen maar ook met mezelf. Ik vloek op volgers maar ben er zelf een.
Mensen hebben mij met veel moeite kunnen overtuigen dat sommige dingen die ik te vuur en te zwaard verdedigde niet klopten. Dan riep ik, bang: 'Ja maar deze week sneuvelt dit en volgende week iets anders'. En dat gebeurde ook, en dat was goed. Op dit moment is de vlam eruit. Wij mensen zijn als een lucht na een onweer. Uiteengeslagen wolken. We moeten verder, samen verder.''
U rammelt aan de poorten van andermans burcht, maar misschien zeggen mensen dat u zich evengoed in een burcht hebt verschanst.
“Het ergste is dat ze zelfs dat niet zeggen. Ze willen niet met me praten. Zijn bang voor het gesprek. Het is ook beangstigend een ontdekking te doen die je leven en daden met terugwerkende kracht in een ander licht stelt. Misschien moet je erkennen dat je in de verkeerde zaak geloofd hebt, of verkeerd hebt geloofd in de goede zaak. Dat is pijnlijk. Een voorbeeld. Op een goed moment, ik was al uit de orde gestapt, realiseerde ik me dat ik God niet nodig had voor mijn geloof in de schepping. In eerste instantie dacht ik: 'Niet te hard zeggen, Bernard, want de bisschoppen zullen naar je wijzen: 'kijk wat er van Huijbers is geworden. We willen niet meer dat zijn muziek gezongen wordt.' En die muziek is wel mijn boterham. Dat zijn dilemma's die maken dat mensen blijven vasthouden aan absolute waarden. Uit angst. Ik, gelovend in het Geheel, kan alleen maar kan zeggen: 'Hou je kop, wat denk je wel, ken je plaats in de totaliteit.'
Hoe absoluut is dat geloof?
“Volmaakt relatief maar dat relatieve is absoluut.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.