*

 
dossier

Archief

Met je baan houdt je ook dat vaste ritme op

ARLETTE DWARKASING − 22/01/97, 00:00

Hoewel ze naar Nederland was gekomen om de Pabo te doen, belandde ze op de opleiding tot Leidster Kindercentra (LKC). Dat betekende twee dagen school en drie dagen stage. De Surinaamse Carla Blokland, toen 23, had het geweldig naar haar zin op haar stageplek, het kinderdagverblijf Irene in Rotterdam. In 1995 zei ze: “Na mijn laatste tentamen ga ik meteen solliciteren. Dan weet ik tenminste waar ik sta. Hoewel ik weet dat er bij Irene geen vacatures zijn ga ik daar toch als eerste solliciteren. Je weet het maar nooit.”

Een vaste baan hadden ze inderdaad niet voor haar, maar wel een contract voor zes maanden, om iemand tijdelijk te vervangen. Blokland ging er 32 uur per week werken op wisselende groepen, net als in haar stagetijd. Maar dat vond ze niet erg, ze kende alle kinderen al en ze was allang blij dat ze - al was het maar voor een halfjaar - een baan had.

“Geweldig toch, als je direct na je opleiding ergens kunt beginnen. Ik moest er niet aan denken thuis te moeten zitten”, zegt ze. Maar een half jaar is snel voorbij. Zuur is het dan als, met je baan, plots dat vaste ritme ophoudt, van 's morgens vroeg opstaan, douchen en naar je werk gaan. In zo'n zelfde periode zit Blokland nu ook als we elkaar half december ontmoeten in een Rotterdams café. Ze heeft er dan net een zwangersschapsvervanging van vier maanden op zitten bij de crèche.

“De eerste week thuis is het dan gewoon flink balen. Mensen zeggen dan: 'Zie het als een vakantie'. Nou, dat kon ik niet. Ik kon me absoluut niet ontspannen, want je zit toh met dat gevoel 'hoe nu verder'. Met Sinterklaas ben ik toen wel even terug gegaan naar het kinderdagverblijf, want ik had ook meegewerkt aan alle voorbereidingen voor het feest. Dan zit je er toch met het idee: Vervelend, dat ik dit nu allemaal moet missen.”

Blokland blijft wel als invalkracht verbonden aan Irene. Als vervanging bij ziekte of atv van de vaste leidsters. En ondertussen solliciteert ze heel wat af.

“Maar het valt niet mee. En bij Irene is er nog steeds geen vooruitzicht op een plek. Er is mij wel beloofd dat ik de eerste ben die een baan krijgt als er een vacature komt. De directrice zet zich ook wel voor me in. Op bestuursvergaderingen beveelt ze me aan bij andere kinderdagverblijven. Maar ja. Als het erg veel langer gaat duren voor ik werk heb, denk ik dat ik misschien iets van een cursus moet gaan volgen of een andere studie moet gaan beginnen. Dan ben je tenminste bezig hè. Ik kán gewoon niet thuiszitten.”

Twee jaar geleden zei Blokland: “Misschien doe ik toch die Pabo later nog een keer.” Is dat een optie?

“Nee”, zegt ze nu vastberaden. “Daar heb ik van afgezien. In het onderwijs liggen de banen ook niet voor het oprapen. Dan heb je ook alleen maar kans op een baan als invaljuf. Nee, dan zou het iets moeten zijn waarmee ik meer zekerheid heb op een baan. Wat? Ik weet het niet. Nou, misschien weet ik het wel, maar ik zeg het niet. Wat als iedereen dat leest gaan ze me steeds vragen hoe het ermee staat enzo. Het is net als met rijlessen. Dat vertel ik ook pas als ik mijn rijbewijs heb.”

“Ik zou het ook leuk vinden om nu als vrijwilliger iets met kinderen te doen. Meegaan als hulp bij excursies bijvoorbeeld. Het werken met kinderen is toch het leukst. Kinderen brengen leven in een saaie omgeving. Ik hou erg van kinderen. Dat komt misschien wel doordat ik een grote familie heb waar continu kinderen bij komen. In Surinaamse families is er veel saamhorigheid, ook met neven en nichten. Dus van alle kanten komen er wel baby's bij. Ik zou zelf ook wel kinderen willen. Maar in een later stadium. Ik wil nu nog heel veel andere dingen doen.”

Blokland verbaast zich wel eens over de ideeën die Nederlanders hebben over de Surinaamse opvoeding. Tijdens de opleiding al. In een praktijkboek werd de situatie geschetst dat een vader zijn kind dat in zijn ogen lastig was met een riem sloeg. De vraag aan de leidsters-in-opleiding was hoe zij daarop zouden reageren. Aan Blokland werd gezegd: “In jullie cultuur is dat toch normaal.”

“Nou, ik ben niet zo opgevoed hoor. Wat denken ze wel? Dat alle Surinamers hun kinderen zo mishandelen? In Nederland komt het ook voor dat ouders hun kinderen slaan, maar dat is toch ook niet normaal?”

In de opleiding is veel aandacht besteed aan het 'intercultureel werken'. Om te leren om te gaan met waarden en normen uit andere culturen is het belangrijk eerst goed na te gaan wat je eigen normen en waarden zijn, wat je zelf belangrijk vindt in de opvoeding, is Blokland geleerd. Op kinderdagverblijf Irene komen Nederlandse, Surinaamse, Kaapverdiaanse en Portugese kinderen. Blokland vindt het soms moeilijk met die andere waarden en normen van kinderen of leidsters om te gaan.

“De manier waarop je met kinderen omgaat komt toch grotendeels voort uit je eigen opvoeding. Wat ik daarin normaal vind, vinden collega's soms gek, of andersom. Zeker toen ik pas in Nederland was, had ik daar best moeite mee. Hoe langer je hier zit, hoe beter je gaat begrijpen waarom anderen de dingen anders doen. Niet dat het dan ook altijd beter is.”

“Laatst kwamen er twee nieuwe kinderen uit Suriname op de crèche. Hun oudere broer kwam ze ophalen. Steeds als hij binnenkwam zei hij netjes: 'Goedemiddag mevrouw'. De leidsters vonden hem 'overbeleefd'. Maar ik vond het heel gewoon. In Suriname gaat dat zo. Als die jongen hier was opgegroeid had hij inderdaad alleen maar: 'Hoi' en 'Doei' gezegd.”

“Ik vind dat je, als je als leidster eens geen goed humeur hebt of ruzie hebt gehad ofzo, dat niet mag uitstralen in de groep. Je hoeft ook niet altijd met een smile van hier tot daar binnen te komen, maar ik probeer de kinderen altijd met warmte te ontvangen. Op schoot nemen, lekker knuffelen. Dat heb ik zelf ook meegekregen. Mijn moeder liet ons nooit alleen, nam ons overal mee naar toe of er waren andere broers en zussen. We waren altijd samen, en hebben geleerd er ook altijd voor elkaar te zijn, niet alleen binnen het eigen gezin, maar ook voor tantes, ooms, neven en nichten. Waar je kunt helpen, zal je helpen. Ik denk dat ik daarom zo graag ook een gevoel van saamhorigheid aan de kinderen mee wil geven. Nu als invalkracht, maar naar ik hoop in 1997 als vaste leidster, op welk kinderdagverblijf dan ook.”

mailIcon print |