Aan de oever van de Torne, die op de hoogste berg in noord-Zweden ontspringt, wachtten zestig jaar geleden duizend mensen op een boot die regelrecht uit de hemel zou komen om hen naar Palestina te brengen. Ze wachtten wekenlang. Eerst in 1935. Toen duidelijk werd dat de profeet zich vergist had kwamen ze in 1937 terug. Ze verkochten alles wat ze hadden. Ze maakten de oever van de rivier sneeuwvrij en waren overtuigd weldra te kunnen inschepen. In Palestina zouden zij na de Dag des Oordeels waarop zij - gelukkigen - als schapen van de bokken gescheiden zouden worden, het Duizendjarig Rijk binnengaan. In de verte zagen ze het noorderlicht achter de bergen. In vlammen van vuur stegen zwanen op die neerdaalden aan de Torne. De vrouwen raakten in wilde extase. Ze begrepen dat de zwanen zich bij hen wilden voegen. Ze wierpen hun kleren uit en dansten naakt samen met de zwanen in de sneeuw. Toen de boot opnieuw uitbleef kwam de politie om de mensen die het wachten niet wilden opgeven, af te voeren naar een psychiatrische inrichting.
Hij is filosoof, taalkundige en was jarenlang dominee voor de Lutherse kerk. Nu is hij schrijver van meer dan tien romans. Zijn boeken gaan bedolven onder de sneeuw, zeggen z'n critici. Op de titelpagina van een van zijn romans staat een dansende, naakte vrouw in een winterlandschap. Het beschrijft de gebeurtenissen in de jaren dertig toen een groep dweepzieke protestanten in de poolnacht geslagen werd met godsdienst-waanzin. Ze behoorden tot de zogenaamde Corpola-beweging, een mysterieuze, half-geheime organisatie die volgens Pohjanen nog altijd bestaat. Toen in 1935 en 1937 duizend leden van de Corpola-groep aan de oever van de Torne vergeefs wachtten op een enkele reis naar het hemelse paradijs, besloot een deel van de wachtenden een ander paradijs te kiezen. Het vertrok naar Rusland. Onlangs ontmoette Pohjanen een vrouw van tachtig die na de val van het communisme mocht terugkeren naar Zweden. Haar vader werd door Stalin gedood, zijzelf en haar moeder werden opgesloten in een kamp in Siberië.
Het Corpola-genootschap is een, zeg maar, wedergeboren voorhoede van de Lestardianen. De Lestardianen vormen een orthodoxe gemeenschap die in het grensgebied van Zweden en Finland vierhonderdduizend zielen telt. Devote mensen met kinderrijke gezinnen. Ze mijden elke overdaad en overbodigheid, weren televisie uit hun huizen, houden vast aan oude gewoonten en geloven in de predestinatie - in verkiezing of verwerping in het hiernamaals. Een beetje een kruising tussen de Amish People in de Verenigde Staten en de bevindelijk gereformeerden in Nederland. In de lange donkere winters komen de Lestardianen bijeen in hun gebedshuizen. Ze komen uit de stilte en als ze verenigd zijn ontstaat een merkwaardige extase. Ze gaan dansen, huilen, zingen, lachen. Ze vertellen verhalen in het Laps, ze gaan spreken in tongen alsof de Heilige Geest over hen wordt uitgestort. En uit de wilde opzwepende bewegingen en geluiden ontstaat een collectieve catharsis - een ogenblik van heerlijk welbevinden. Het gebeurt op zondagen in het hoge Kuttainen bij Karesuando. En in Sattejarvi, een dorp bij Korpilombolo. De familie Kero, die daar een fabriekje heeft voor het bewerken van rendierhuiden, gaat de mensen in de gemeenschap voor in bovenzinnelijke ervaringen. “Maar het is niet de Heilige Geest, het is de duisternis die hen gek maakt,” zegt Bengt Pohjanen.
Van Lulea naar Overkalix in Norbotten gaat een ruim honderd kilometer lange weg door wouden en velden. Hier en daar een kerk in een dorp van een paar honderd inwoners. Bewegingloze berken, eindeloze naaldbossen. Langs de Kalixalven die zich soms zo woest naar beneden stort dat de vorst geen vat op het water heeft kunnen krijgen. Tussen muren van sneeuw en over spiegelgladde wegen - maar in de winterbanden van Zweedse auto's zitten kleine ijzertjes die houvast geven.
Aan het eind van een zijweg die verdwijnt in de bossen staat een rood houten huis dat gebouwd is in een U-vorm. In de vleugel die hoog op de oever, parallel aan de Kalixrivier staat, werkt Bengt Pohjanen. Een Ikea-interieur met een witte tegelkachel en een plank vol boeken die hij schreef. Romans, kinderboeken, filmscenario's, drama. In de verte rijzen zwarte bergen omhoog die hij in zijn jongste boek de 'velden des doods' noemt.
De rivier tussen de bergen en zijn huis is zo breed als de Maas. In de zomer stroomt het water woest voorbij en stijgt door de smeltende sneeuw soms vier meter hoger. In de winter slaan nachten met dertig graden vorst balken onder het ijs. Ineens verandert het leven. Over de rivier ontstaat een ijsweg, waar mensen van de ene kant van Overkalix oversteken naar de andere kant.
De vader van Bengt Pohjanen was anarchist en smokkelaar. In de Poolnacht haalde hij paarden uit Finland en bracht ze Zweden binnen. Na de oorlog was het ouderlijk huis toevluchtsoord voor vluchtelingen. Er passeerden Finse officieren, communisten, Russen en achtervolgde saami's, bewoners uit Lapland.
Z'n moeder, die nog in leven is, is een lestardianer - volgeling van Lars Leve Lestardius. Een filosoof en botanicus uit de vorige eeuw die Kant in Heidelberg aanviel en lid was van de Franse liga van wetenschappers. Pohjanen schreef over hem het boek 'Vox Clamantis' - 'Stem van de roepende' - dat vorig jaar is verfilmd.
Bengt Pohjanen noemt het hoge noorden waar drie maanden per jaar duisternis heerst 'een goudmijn voor drama.'
“Er zijn hier ongelooflijke dingen gebeurd. Lars Leve Lestardius was niet zo'n piëtistische leider zoals religieuze bewegingen in Nederland en Zweden kennen. Hij kon zich meten met Freud. Hij sprak zoals Breugel schilderde. Lars Leve Lestardius werkte in een cultureel milieu van kleine leenboeren, mensen die een met de natuur zijn en de wereld niet intellectueel verklaren. Ze willen niet de werkelijke analyse, ze willen de wereld zien zoals die in hun geest bestaat. Wat dat betreft hebben de mensen in Norbotten en Lapland meer gemeen met de mensen in Rusland, met het Russische byzantinisme, dan met het rooms-katholicisme en de manier waarop bijvoorbeeld in midden-Europa de godsdienst beleefd wordt. De mensen in noord-Zweden beseffen hun kleinheid en weten tegelijkertijd dat zij het hart van de kosmos vormen, heel klein maar ook heel groot,” zegt Pohjanen. In 1979 publiceerde hij zijn eerste roman, die ging over de wonderlijke verstrengeling tussen het harde stalinisme en het lestardianisme.
“Een oude vrouw, mijn buurvrouw toen ik een jongen van vijftien was, had in haar huiskamer een foto van Stalin en een afbeelding van Lestardius. Ze had zichzelf twee paradijzen geschapen, een op aarde en een in de hemel. Daar sprak ze ook altijd over. Je moet weten dat hier in Norbotten en Lapland de gemeenschap altijd sterk multicultureel geweest is.”
Hier ontmoetten de Sami, de Finse, de Russische en Zweedse culuur elkaar. In Tornio in Finland, een stad die ooit Zweeds was, stond een Russische kerk. “Het was heel natuurlijk voor de oude vrouw om die paradox te hebben.”
Als de volgelingen van Lestardius tijdens samenkomsten in een religieuze roes geraken, stemmen horen en gezichten zien, is dat allemaal te verklaren, zegt Bengt Pohjanen. “Als die mensen uit hun kleine dorpen en nederzettingen bij elkaar komen hebben ze dagenlang niet gesproken. En tijdens hun bijeenkomst horen ze een prachtige taal, horen ze in dat hele rijke Laps vertellen over de schoonheid van de hemel. Ze horen een taal vol symboliek, die Lars Leve Lestardius hen naliet. Hij was een van de grootste stilisten die Norbotten en Lapland kende.”
Pohjanen gelooft dat tussen de lestardianen en sommige calvinisten in Nederland overeenkomsten bestaan: “Op de Hollandse eilanden werden mensen gevormd door de strijd tegen wind en water. Wij, in noord-Zweden, zijn gevormd door de kou en de duisternis. Ik weet zeker dat als gelovigen uit Nederland hier zouden komen kijken en onze gebedsbijeenkomsten zouden bijwonen, ze alles zouden begrijpen.”
“Nog maar tien jaar geleden begrepen de mensen in Stockholm niets van ons,” zegt hij. Pas nu, nu ook in Stockholm vluchtelingen en migranten wonen en meer talen gesproken worden, is er meer begrip. “Hier in Norbotten zijn altijd paradoxen geweest. Dat is een belangrijk onderdeel in mijn werk, de paradox. In het oude Europa bestond een sterk multiculturele samenleving. In Zweden niet. Maar de valleien van de Torne en de Kalix vormen uitzonderingen.”
“De duisternis, de winters en de bossen hebben ons tot bespiegelende, introverte mensen gemaakt,” zegt hij. “Als iemand introvert is en naar zichzelf kijkt, dan zal hij meer zijn eigen persoonlijkheid doorgronden. Zoiets geeft diepe gedachten over God en de hemel. De duisternis en de donkere bossen hebben ons - samen met de Russen - tot de diepzinnigste mensen van Europa gemaakt. We zijn ook biologische wezens. Zodra de duisternis over het land valt, de hemel hoog en sterk is en de bossen angstaanjagend worden, dan gaan we ons gedragen als dieren. We zouden beren willen zijn en een winterslaap houden. We worden trager. We lopen niet meer zo snel. We werken minder hard. Al onze biologische functies gaan naar een lager niveau. Zodra de zon verschijnt, merk ik dat ik harder ga lopen, meer praat, socialer word, meer opensta voor mensen. Dat heeft te maken met het licht dat aanbreekt. Op slag wordt Overkalix anders, dan wordt er gelachen en wordt er geleefd.” Pohjanen werkte tien jaar lang als voorganger in een dorp met 500 mensen. Zijn gemeenteleden waren eenvoudige boeren en arbeiders, geïsoleerd tussen bossen en een half jaar gevangen in de duisternis. Hij zegt: “Wij zijn mensen van grote tegenstellingen. We denken in tegenstellingen, we handelen in tegenstellingen. Niet voor niets is in dit deel van Zweden het aantal gevallen van manische depressies vijftig procent hoger dan in de rest van Zweden. Zoiets heeft politieke en religieuze consequenties. We denken in goed en kwaad, in wit en zwart. Als de winter intreedt veranderen we, we kijken naar elkaar als bange, schuwe dieren.”
Bengt Pohjanen is de eerste erkende auteur uit Norbotten. Hij behoort tot de groep van 150 Zweedse schrijvers die door de regering in Stockholm erkend zijn als waardevol voor de literatuur en de geschiedenis. Ze krijgen tot ze doodgaan een uitkering van de staat. Pohjanen zegt dat het voor een schrijver uit de provincie niet gemakkelijk is de salons in Stockholm binnen te treden. Hij vergelijkt zich met Strindberg die tegen de establisment vocht, die de hoofdstad een zompig moeras vond vol afgunst en onkunde en die uit de duisternis zijn drama schreef. Met dédain: “Wat is Stockholm nu helemaal? Een dorp in het zuiden van Zweden, met een regering die het land niet kent en minderheden in het noorden minacht en niet erkent.”
De rivier en de bergen hebben Pohjanen meer te zeggen. Ze vertellen hem hun mysteries en mythen. In de zomer luistert hij naar de Kalixalven. Uit het murmelen van het water hoort hij de stemmen van zijn voorouders die vertellen hoe hij verdriet kan overwinnen en het bloeden van het hart kan stoppen. En in de winter als de rivier wit oplicht in de grauwe wereld, vertellen de duisternis, de sneeuw, de donkere wouden en de zwarte bergen in de verte hem hoe de mensen in Norbotten gevormd zijn door drama en tragiek.
“Ik schrijf,” zegt hij, “over de duisternis waarin mensen leven en over de geestelijke duisternis. De mensen hier zijn er door gevormd en geschapen. Het is voor mij onmogelijk over licht en goedheid te schrijven. Dostojevski heeft dat geprobeerd maar wat was het resultaat? De idioot.”
Bengt Pohjanen is een product van dit landschap. Zijn vader vertelde hem hoe het zal zijn op de dag des oordeels. Die zal komen op een dag in de lente als het smeltwater met donderend geweld de rivier afstroomt om huizen en mensen met zich mee te sleuren. Het zullen gruwelijke, niets ontziende machten en krachten zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.