Natuur kent geen grenzen en met het Europees Natuurbeschermingsjaar 1995 net achter de rug zou je dat in het Europa van nu aan alle kanten moeten merken. Toch laat de bescherming van grensoverschrijdende natuurgebieden op zich wachten. Dat ligt niet aan de Vereniging Natuurmonumenten en haar Vlaamse zustervereniging Natuurreservaten v.z.w. Samen hebben zij een bijzonder gebied verworven, dat deels in Zuid-Limburg, deels in België ligt. Het landgoed Altembroek bij Noorbeek en 's-Gravenvoeren is afgelopen woensdagmiddag officieel aan de beide natuurbeherende organisaties overgedragen.
Een clubje Nederlandse en Vlaamse journalisten mocht vooraf een kijkje nemen. Net op de dag dat er een dik pak sneeuw lag. Een buitenkans, als het niet de hele dag was blijven sneeuwen bij een temperatuur dat het prikkeldraad aan je vingers bleef kleven. Maar het landschap dat we al glijdend, soms vallend en voortdurend wankelend over de bonkige onverharde wegen vol ondergesneeuwde valkuilen zagen, was verbijsterend mooi. Rijen Canadapopulieren, meest met bolle nesten van maretakken in hun ragfijn tegen de bleke hemel afgetekende kruinen, leken in de alles overheersende witheid te zweven tussen aarde en hemel.
Die maretakken komen in Nederland alleen talrijk voor op een paar plaatsen ten zuiden van Sittard. Hoewel de 's winters groene struikjes wortelen in de takken van de bomen die zij parasiteren, hebben ze een onverklaarbare binding met kalkrijke bodems.
GRENSBOMEN
Een troep zwarte kraaien zwermde roepend om een boom vol maretakken, een beeld uit mythologische tijden. Bomen hadden hier een grote betekenis. Geknotte essen langs de weg waren niet alleen leveranciers van brandhout, maar tevens grensbomen tussen percelen van verschillende pachters of eigenaars. Zo'n markeringsfunctie konden ook de losse groepen beuken hebben gehad op kruispunten van wegen. Tamme kastanjes met dikke gedraaide stammen werden ooit geplant bij de typisch Limburgse boerderijen: wit en gebouwd in het vierkant, met een kasteelachtige poort met toren.
Helaas zijn langs de smalle wegen de graften grotendeels vervangen door paaltjes met prikkeldraad. Tussen de velden zijn ze nog aanwezig, hagen van gesnoeide meidoorn, beuk en haagbeuk, soms een ondoordringbare wildernis van braam, bosrank en dorre en geknakte adelaarsvarens. De velden hellen naar de dalen van Voer en Noor en de graften moeten bij hevige regenval afspoeling van de lössbodem voorkomen. Wellicht waren de rijzige hulsten en de oude hazelaars in de hoge bermen ook onderdelen van vroegere graften. De hazelkatjes zaten nog even stijf dicht als in Noord-Nederland. De hulst, dik in het donkergroene stekelige blad, had geen bessen. Door de kramsvogels opgegeten? We kwamen die lijsters regelmatig tegen in beschutte steile bermen, waar ze ondanks de kou toch nog wormen en insektelarven zochten.
RUIGE RUNDEREN
Witte en donkergrijs gevlekte, ruig behaarde pinken dartelden in de sneeuw en kwamen in een lange rij aanhollen om ons achter het draad achterdochtig na te kijken. De enige markering in het witte landschap waren de zwarte en donkergrijze boomsilhouetten, dicht opeen waar ze de loop van de beken begeleidden. Als lichtgrijze achtergrond de dichte bossen van zomereik, wintereik en beuk op de andere steilere kant van het dal.
Districtsbeheerder Zuid- en Midden-Limburg van de Vereniging Natuurmonumenten Lee Vos: “Natuurmonumenten bezat al 70 hectaren in het dal van de Noor bij Noorbeek aan de Belgische grens. Daar is nu 23 hectaren op Nederlands en 135 hectaren op Belgisch gebied bijgekomen. Er is een jaar lang onderhandeld met de oorspronkelijke eigenaars, de familie de Béhault. De aankoop kostte 53 miljoen Belgische franken, bijna drie miljoen gulden, waarvan ¿750.000 gulden voor Nederlandse rekening kwam. Met de overdracht van Altembroek heeft de natuurbescherming een compleet beeksysteem in handen gekregen. Als je het landgoed van zuidoost naar noordwest doorwandelt, krijg je een dwarsdoorsnede te zien van de dalen van Noor en Voer. Het water is behoorlijk schoon. Toch bevat het nog te veel nitraten, die worden aangevoerd door het grondwater en afkomstig zijn van de landbouw. Bijzondere soorten van de beekdalen? Reuzenpaardestaart, knolsteenbreek.”
Hij rekende er niet eens de kleine kaardebol bij in de wegberm, twee meter hoog, verdord, maar ongetwijfeld met rijp zaad in de hoofdjes. Een rodelijstsoort die in ons land alleen en dan nog vrij zeldzaam in Zuid-Limburg voorkomt.
Iemand merkte op dat het hier wel mee moet vallen met de overbemesting, want er groeit heel wat minder klimop in de bomen dan in de meeste Nederlandse bosgebieden.
Uit een populier klonk de bitse roep van een grote bonte specht, die zich niet liet zien, in tegenstelling tot de buizerds. Af en toe zagen we er een, wiekend over de velden of als donkere gestalte zittend op een hekkepaal of in een boom. Lee Vos: “Er broeden rode wouwen in de bossen. Aan de beken leven waterspreeuw en grote gele kwikstaart. De waterspitsmuis komt hier voor. Adders? Nee, wel veel hazelwormen. En de levendbarende hagedis. Alpenwatersalamander en kleine watersalamander zijn hier heel gewoon.”
Marc de Coster van Natuurreservaten v.z.w.: “Verreweg de beroemdste amfibie is hier de vroedmeesterpad. De amfibieën hebben te lijden van het verdwijnen van veedrinkpoelen. De boeren draineren ze of zetten er een betonnen waterbak in. En op de wegen zijn geen tijdelijke modderplassen meer, waar de geelbuikvuurpad zich zoals vroeger zou kunnen voortplanten.”
En hoe staat het hier met de dassen? De vele hellingen moeten uiterst geschikt zijn voor dassenburchten. “Dat klopt. Er leven hier in Voeren zestig tot tachtig dassen op vijftig vierkante kilometer. Dat is een dichtheid zoals in oude tijden.”
Eenderde van het landgoed is bos, tweederde is cultuurgrond. De bedoeling is de cultuurgrond geleidelijk pachtvrij te maken en daar de natuur te ontwikkelen. “We willen de vroegere rijkdom van de beekdalgraslanden en de kalkgraslanden weer terugbrengen en de graften tot lijnvormige struwelen laten uitgroeien met een geleidelijke overgang naar de graslanden. Daar zal begrazing door Schotse hooglanders voor moeten plaatsvinden.”
We waren gelukkig met onze rubberlaarzen in het beekbos van de Noor bij Noorbeek. Af en toe moesten we door de beek, niet dieper dan een halve meter en zo smal als een sloot kronkelend over een grindbedding tussen overhangende sneeuwwallen door. Een houtsnip vloog op van een grindbankje. “Die schijnen erg lekker te zijn”, was het commentaar van Rik Palmans, verantwoordelijke voor de fondswerving en coördinator van het vrijwilligerswerk van Natuurreservaten. Even later wist hij te vertellen dat hier niet alleen brandnetel en kleefkruid groeien, maar ook bosanemoon en gulden sleutelbloem.
Natuur deze week
Dank zij de zachte winters, die we de laatste jaren hebben beleefd, zijn er nogal wat ijsvogels, die in het westen de kou proberen te overleven. Aan open water jagen ze op kleine vissen, die onder hun uitkijkpost - een tak, een vlonder of een paaltje - door zwemmen. Bij langdurige vorst met weinig open water zonder plekken waar ijsvogels kunnen posten, vallen er veel slachtoffers onder deze exotisch gekleurde vogels. - Door kou en honger gedreven maakten kramsvogels, koperwieken en merels snel korte metten met de blozende vruchten van lijsterbes, meelbes en meidoorn, die deze winter lang aan de takken hebben gezeten. Weinig animo is er voor de doorschijnende bessen van de Gelderse roos. Daar is eigenlijk alleen de pestvogel een liefhebber van. Deze week zijn deze noordelijke invasievogels waargenomen op twee plaatsen in Nederland: in Woerden en in Amsterdam Buitenveldert. Rozebottels worden uit elkaar getrokken door groenlingen, die met hun dikke snavels de pitjes kraken om bij het eetbare binnenste te komen. - Midden in de ergste winterkou heb ik de eerste kokmeeuw al gezien met een chocoladebruine kop. Dat is het kenmerk van het zomerkleed, dat alle volwassen kokmeeuwen in de broedtijd dragen. De 's winters witte kopveren slijten in februari en maart af, waardoor de bruine onderkleur te voorschijn komt. Tegelijkertijd wordt de snavel veel donkerder rood van kleur. - Vlaamse gaaien maken kokkelende en miauwende geluiden, wat je als een soort zang mag opvatten. Soms kwelen ze als echte zangvogels, wat ze eigenlijk ook zijn, al zou je dat niet denken, wanneer je hun krijsende alarmroep hoort. Ik hoorde een gaai de baltsroep van een torenvalk bedrieglijk echt nadoen. - Kolganzen, die broeden in het uiterste noorden van Rusland, brengen van december tot maart bij ons de winter door. Ze zoeken voedsel op open graslanden en akkers. Een deel van onze vaste wintergasten is nu uitgeweken naar Noord-Frankrijk en Engeland. Overvliegende kolganzen zijn te herkennen aan hun vrij schelle, keffende roep, heel anders dan het gakkeren van grauwe ganzen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.