Op het Begijnhof aan het Spui in Amsterdam staat het Houten Huys, het onderkomen van het wijkpastoraat van de citykerk. Het huis is beroemd om zijn houten buitenmuren. Maar binnen is de kamer waar de senioren van de katholieke kerkgemeenten in de Amsterdamse binnenstad met elkaar spreken, ook van plafond tot vloer met hout bedekt.
Eén keer per maand gaat een heilig tal aan ouderen met elkaar in gesprek over de tien geboden of 'woorden'. In september zijn ze met z'n zevenen begonnen, inmiddels zijn er twaalf deelnemers en één hond. Tijdens de vorige bijeenkomst hebben zij het derde gebod besproken. De pastor brengt het gesprek over 'Gij zult de Naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken' terug in hun gedachten.
Ze hadden het onder meer gehad over zegenen en een onderscheid gemaakt tussen goede rituelen en magie. “Sommigen roepen God aan om hem te gebruiken. Maar zoals moeder vroeger met een palmtakje door het huis liep wanneer het onweerde - dat is een goed ritueel.”
Een van de deelnemers vertelt over een medaille die voor haar grote betekenis had gekregen toen ze als zuster op Elba tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Engelse soldaten zorgde. In de tijd dat de inbraak begon en iedereen sloten op zijn deuren plaatste, had zij die medaille aan haar deur gehangen in de hoop op bescherming. “Misschien is dat ook magie, hoor. Ik weet wel dat je er geen waarde aan mag hechten.”
De pastor wijst erop dat het derde gebod - ofwel zevende vers - in de protestantse bijbel uitgebreider is dan in de katholieke versie van dit gebod. “Wat zouden de woorden betekenen dat de Here niet onschuldig zal houden wie zijn naam ijdel gebruikt?” De groep gelooft niet dat God straffen in petto heeft en dat deze woorden als dreigement bedoeld zijn. Het komt erop neer dat je het verbond verbreekt als je zijn naam ijdel gebruikt. Als de band met God geen geheim meer is, verwijder je je van hem.
Voor de koffiepauze schakelt de pastor over naar het vierde gebod. Hij leest vers acht voor zowel in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap als in de katholieke versie: 'Wees gedachtig, dat gij de dag des Heren heiligt'. Een van de deelnemers reageert ad rem: “Onze versie is gemakkelijker.”
De pastor vraagt wat heiligen eigenlijk inhoudt. “Bezinnen, even niet bezig zijn met de wereldse zaken van alledag, jezelf opladen zodat je er weer tegenaan kunt, op zoek gaan naar de bron van het leven.”
Al snel komt het verschil ter sprake in de manier waarop katholieken en protestanten aan dit gebod gehoor geven. De eersten heiligen de dag door te genieten: dansen, fietsen, wandelen in de natuur. “Vroeger kregen we speciaal zondagsgeld om iets lekkers te kopen. Met je vijf centen stond je dan in het enige winkeltje dat open was, eindeloos te treuzelen omdat je niet kon kiezen tussen een toverbal en drop.”
De protestanten blijven thuis, bidden en gaan twee keer naar de kerk. “Wij moesten ook twee keer: 's morgens naar de mis en 's middags naar het lof. Maar vaak deden we dan net alsof we naar de kerk gingen en dan ontmoetten wij stiekem onze vriendjes.”
De pastor leidt het gesprek weer naar het gebod. De senioren praten over de vraag waarom er één dag gestaakt moet worden. Er blijken twee argumenten te zijn: imitatio Dei - wij doen na wat God deed - en herdenken dat God ons van de slavernij in Egypte bevrijd heeft. De pastor benadrukt het revolutionaire karakter van het gebod dat ook de dienstknecht, de vreemdeling en het vee niet mogen werken. “De rijken hadden eigenlijk altijd rust, dus het gebod is ook ingesteld om rust te geven aan diegenen die wél elke dag werken.”
Een van de senioren werpt op dat de christenen op zondag de dag des heren heiligen en de joden op zaterdag. Ze vertelt dat de katholieken altijd wel op zondag vers brood en gebakjes kochten in de joodse buurt in Amsterdam. De pastor vertelt dat voor de moslims vrijdag een rustdag is. “Dat is toch prachtig. Daardoor kunnen we drie dagen genieten.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.