*

 
dossier

Archief

Van Jim Morrison tot Kurt Cobain

JAN KOENOT − 11/01/97, 00:00

Valt er nog te flirten met het christendom? Of is het voorbij? Of is de toekomst aan de rooms-katholieke kerk of aan de verenigde protestantse kerken of aan de evangelische bewegingen? Of is kunst de nieuwe religie? Komt er het Systeem van de dichter Leo Vroman? Of zijn popmuzikanten de nieuwe predikers? Deze week in het debat over De toekomst der religie schrijft de Vlaamse jezuïet Jan Koenot: “Als rockzangers spontaan hun ervaring van de muziek vergelijken met wat voor anderen godsdienst is, doelen zij op de heilzame kracht van de klanken, op de energie van liefde die als een warme onderstroom de rockcultuur bezielt.”

Denkers kunnen ervan overtuigd zijn dat een cultuur zonder God ten dode is opgeschreven. Zedelijkheid, gerechtigheid, waarheid en zin kunnen slechts gedijen als zij gefundeerd worden op een absolute bron, norm en doel, die meestal God genoemd wordt. Theoretisch mag die redenering kloppen, een toekomst voor de religie wordt er nog niet door gewaarborgd. Als God God is, is Hij geen abstractie. Religie leeft alleen maar zolang er mensen zijn die geraakt worden door een realiteit die als goddelijk wordt ervaren, zolang ze de confrontatie met die werkelijkheid niet uit de weg gaan, maar, als Jacob, strijden met de engel.

'God', 'religie' zijn geladen woorden. Onder 'religieuze ervaring' versta ik een gebeuren dat de mens raakt in al zijn vermogens (hart en ziel en verstand en al zijn krachten), dat hem aan de dagelijkse horizon onttrekt, dat heil brengt en gemeenschap sticht. Die ervaring van overstijging ('transcendentie') brengt ons wel in aanraking met 'het bovenmenselijke', 'het onbekende', 'het Andere', en toch voltrekt ze zich binnen de meest concrete realiteit van ons lichamelijk bestaan, die plots toegang verleent tot een werkelijkheid die rijker en mooier en vervullender is dan de dagelijkse realiteit zelf. Alleen uit een reële omgang met het goddelijke kan een relevant spreken over God groeien.

Onze westerse wereld wordt gekenmerkt door 'de dood van God': noch de individuele dagorde noch de collectieve verbeelding worden nog gestructureerd door een religieus perspectief. Het is me echter opgevallen hoezeer in de hedendaagse beeldende kunsten en in de rockmuziek, twee cultuurvormen die zich in dit klimaat van 'de dood van God' ontwikkelen, aspecten van religiositeit aanwezig zijn.

Ik wil hiermee niet zeggen dat elk hedendaags kunstwerk direct religieus is, noch dat een rockconcert gelijkstaat met een eucharistieviering. Het treft me alleen maar dat een aantal bekende artiesten, als ze dieper ingaan op wat ze doen, van een spirituele bewogenheid getuigen, en dat er een geestelijke honger loopt dwars door de hele rockcultuur. Die honger is zeker niet het eerste wat opvalt, noch het enige wat erin meespeelt. Maar omdat hij in de opgezweepte sfeer van de marketing en de media vaak wordt verdrongen of ontkend, is het goed erop te wijzen.

Veel hedendaagse artiesten laten zich niet in de eerste plaats leiden door een ideaal van schoonheid, maar door een drang om in te spelen op het levensgebeuren. Kunst is immers niet zomaar een voorstelling van werkelijkheid, maar een ingreep op de werkelijkheid.

Zoals Afrikaanse maskers boze geesten uitdrijven, zo zocht Picasso een stijl die inwerkt op angsten en ondergrondse krachten. Surrealisten lieten het onbewuste spreken. In hun werk voerden Giacometti en Tinguely een strijd tussen krachten van leven en van dood. Beuys zocht naar nieuwe rituelen om de mens te openen voor de levensstroom die in de meest gewone stoffen verborgen zit als een kracht die verbindt (die onze wonden verbindt en die ons samenbindt).

Het postmoderne gevoel dat wij leven als nabestaanden van een grote tijd (de Verlichting), als overlevenden van een catastrofe (de holocaust), in een eeuw van verduistering van het goddelijke en verschraling van het menselijke en vervluchtiging van de cultuur, doordringt het oeuvre van Kiefer. Richter schildert de wonden en het wonder van het zien, van het leven (la misère et le mystère de la vue, de la vie), Rothko en Newman de absoluutheid van de menselijke emotie tegenover de ondoordringbare glans van een geheim dat ons omvat en ontglipt.

Deze voorbeelden kunnen makkelijk worden uitgebreid. Kunstenaars die worstelen met ondergrondse driften en met overstijgende krachten, met einde en begin, geboorte en dood, met het niets en het al, beleven een geestelijk avontuur in de omgang met de uitdagingen van het bestaan, waar sinds mensenheugenis religie bij aansluit.

Rock is een viscerale kreet, die al deze elementen in zich opneemt en intensiveert, in een uitbarsting van exorcistische, apocalyptische, extatische klanken. Zowel de archaïsche als de mystieke pool van religiositeit komen erin aan bod.

Archaïsch is het offermechanisme, dat centraal staat in talloze vormen van religie, en dat tegenwoordig onder meer in de rockwereld ten volle functioneert. Van Jim Morrison tot Kurt Cobain (Nirvana) is de geschiedenis van deze muziek het verhaal van de opgang en ondergang van sterren die als idolen worden vereerd en door het vuur van de roem worden verteerd. Het doet er nauwelijks toe of ze door ziekte, ongeluk, moord of zelfmoord aan hun einde komen. In de collectieve mythe worden zij gekoesterd als helden die het wagen de grenzen van het menselijke te overschrijden in een roes van sex, drugs and rock 'n roll, en die, in een mysterieuze zin, voor ons genot en onze vrede de prijs betalen. “In zekere zin beleven we de mythe van de 'stervende god', de mythe van Icarus. Elvis Presley, Sid Vicious. De maatschappij wil dit en smeekt erom”, zei de zanger Sting ooit.

Terwijl de archaïsche pool het kanaliseren en uitdrijven van agressieve driften betreft, overrompelt de mystieke pool van religiositeit de mens met een gevoel voor de goedheid en de onaantastbaarheid van het leven. Als rockzangers spontaan hun ervaring van de muziek vergelijken met wat voor anderen godsdienst is, doelen zij op de heilzame kracht van de klanken, op de energie van liefde die als een warme onderstroom de rockcultuur bezielt. Het wonder van het leven, het spel van de minne en de ontdekking van de vrijheid, zoveel liedjes gaan erover, vaak met eenvoudige woorden, maar zo indringend door de pure kracht van de muziek.

Eén voorbeeld: Oasis, een groep die in augustus 1996 250 000 fans trok voor twee concerten in Knebworth Park (ongeveer evenveel mensen als bij de misviering van de paus in Reims en de Witte Mars in Brussel in het najaar van dat jaar). De songs van Oasis bezingen de onverwoestbaarheid van het leven ('Live Forever'), het mysterie van de werkelijkheid ('Masterplan'), de absoluutheid van het eigen bestaan ('Supersonic'), de troostende kracht van de liefde ('Sad Song', 'Slide Away', ...).

“Als we al een godsdienst nodig hebben nu het spel naar zijn einde loopt”, schrijft de journalist Everett True in Melody Maker, “en het lijkt wel of we meer dan ooit godsdienst nodig hebben in deze amorele jaren negentig - dan is deze feestelijke bijeenkomst, dit magisch gevoel van saamhorigheid, een aanváárdbaar soort heiligheid.” Dit omdat Oasis van ons niets anders vraagt dan 'love for music.' Deze muziek spreekt ons, volgens de journalist Dave Simpson, aan als een 'mystieke taal', en juist dat hebben we nodig, geen slogans meer (zoals die van U2 en Simple Minds in de jaren tachtig), alleen maar deze klanken. Hier wordt muziek beleefd als iets absoluuts, dat onafhankelijk is van woorden, goede bedoelingen en dagelijks nut, en dat samen wordt gevierd.

Natuurlijk wordt rock niet elke seconde zo intens beleefd. Achtergrondmuziek verandert het leven nog niet (maar Vivaldi als wachttoon in de telefoon is niet veel beter). Toch is rock meer dan een consumptieartikel. De zanger van Eels beweert dat zijn gitaar hem het leven gered heeft, terwijl zijn zus het opgroeien in een milieu dat geen enkel houvast bood, niet heeft overleefd. Als eigentijdse psalmen drukken songs haat en hoop, duisternis en verwachting, mislukking en dromen uit. Op onbewaakte ogenblikken schrijven rockzangers een lied als een gebed, tot God gericht (zoals 'Dying Days', op Dust, de jongste cd van Screaming Trees).

Was dan niet gezegd dat rock de muziek van de duivel is? “Wil je werkelijk kwaad doen, schakel muziek dan volledig uit”, opperde de journalist Johnny Cigarettes in New Musical Express, “maak dat het kwade goed lijkt, versterk de gevestigde, kapitalistische machten, met al hun obsceniteiten, en censureer al wat in strijd is met die heersende kleurloze opvattingen. Als je dit goed en grondig doet, zul je uiteindelijk Satan hartelijk horen lachen, de dag dat de muziek sterft.”

Een toekomst voor de religie is er zeker, als de aanzetten tot een spirituele beleving, die in hedendaagse cultuurvormen aanwezig zijn, worden erkend. We leven echter in een systeem dat beheerst wordt door economische belangen en dat er alle baat bij heeft dat het menselijke in de mens wordt verdrongen, dat wij toegeven aan defaitisme en onszelf zien als de speelbal van onbuigbare statistische wetmatigheden (van psychologische, sociologische en economische aard).

Maar menszijn is geen natuurlijk gegeven, ontluikt pas in daden van vrijheid en liefde, die elke bestaande ordening verstoren en verbreken. Waar worden jongeren aangesproken op hun innerlijke rijkdom? Beeldende kunsten en songs kunnen snaren raken in het hart van ons wezen. Religieuze ervaringen, in de ruime zin van het woord, staan haaks op de heersende gang van zaken. Mensen, die door geld rivalen worden van elkaar, geraken in de diepte met elkaar verbonden door de absolute emotie die gepaard gaat met het besef dat ze leven, dat ze zélf van het leven iets mogen maken, terwijl ze tegelijk aangesproken worden door een werkelijkheid die hen te boven gaat.

Het is wonderlijk dat cultuurgoederen (in dit geval cd's) die zo afhankelijk lijken van het spel van verschijnen en verdwijnen op de televisieschermen, een appel en een rijkdom inhouden die veel verder reiken dan die oppervlakte. Ook de rockcultuur ontsnapt niet aan de drang van onze hyperbewuste tijd om elke gebeurtenis en elk fenomeen in kritische commentaren uit te benen. Maar juist dat overdreven zelfbewustzijn wordt door de muziek overstegen. Wie haar met overgave beleeft, schenkt zij een gevoel van bevrijding.

Ook voor het christendom zie ik een toekomst. Geen godsdienstig evenement heeft in de geschiedenis der mensheid zo scherp de mechanismen van geweld en leugen blootgelegd als de kruisdood van Jezus Christus, en zo reëel het geloof in de toekomst en de hoop op verlossing gewettigd als Zijn verrijzenis.

Zoals de wetenschappelijke verworvenheden het animisme van onze verre voorouders voorgoed overwonnen hebben, zo maakt de christelijke ontmaskering van het offermechanisme een blinde terugkeer naar de archaïsche religiositeit onmogelijk. Dit is de reden waarom de rockcultuur voortdurend met een slecht geweten leeft over het lot van haar sterren, die in de symbolische orde van haar mythen als offerkandidaten worden gebruikt en in de economische orde van de industrie als disposable heroes (wegwerphelden) worden verbruikt.

In ervaringen van mystiek, zoals die ook aanwezig zijn in de huidige cultuur, brengt het christendom een element van onderscheiding: de christelijke liefdesmystiek valt niet zomaar samen met natuurmystiek of eenheidsmystiek. De God die Jezus verkondigt, moet gedeeltelijk nog worden ontdekt. Het (onchristelijke) beeld van God als een ongenadige vader of als een omzwachtelende moeder is nog niet uitgestorven. Wat het betekent dat God zijn scheppings- en bevrijdingswerk aan mensen toevertrouwt, dat wie gelooft, geroepen is 'om grotere dingen te doen' dan Jezus (Joh. 14,12), dat zien we amper in en beleven we maar schoorvoetend.

Wij mensen mogen elkaar dragen en tot leven wekken, begeleiden in een geboorteproces dat vertrekt in de dubbelzinnige omstandigheden van dit aardse bestaan en ons bestemt om te delen in de eeuwige liefde. Heilig - niet in de zin van vroom of volmaakt, maar in de zin van volstrekt eerbiedwaardig en door God gewild - is elk gebaar waaruit mensen uit elkaar geboren worden als tochtgenoten in een goddelijk liefdesavontuur.

Ook kunst, ook een song is een oproep van mens tot mens, tot bevrijding en liefde. Welke vormen religie in de toekomst zal aannemen, zien we wel. Nu komt het erop aan te geloven dat elke (persoonlijke, politieke, culturele) daad die mensen tot mensen maakt, dat elke keuze die het menselijke in de mens en in de samenleving aanwakkert, een toekomst in God bereidt.

mailIcon print |