AMSTERDAM - Iedere zondagmiddag bezoeken zo'n 50 à 60 harddrugsgebruikers hun eigen kerkdienst in de eeuwenoude Petrus en Pauluscrypte op de Amsterdamse wallen. Tegenover het roodverlichte 'Thai massage' discussiëren zij zonder gêne over God en over de onderwereld.
“De waarheid is dat ik negen jaar heroïne gebruik. Dat ik weet dat ik mezelf vernietig. En dat ik niet kan stoppen.” Het is het antwoord van de 26-jarige Thomas op de vraag die vandaag gesteld is in de viering: 'Wat is voor jou waarheid'. In de drugskerk zijn de maskers allang afgelegd. Ongebruikte zangstemmen brommen mee met het lied dat iedere week gezongen wordt: 'Zomaar een dak boven wat hoofden'. Anderen houden zich stil, slapen of staren voor zich uit. Tijdens de viering zeggen de drugsgebruikers wat ze op hun hart hebben, al is het maar dat ze een sigaret willen van iemand aan de andere kant van de ruimte. Gevloekt wordt er, vaak toch zachtjes, en gelachen, als er bij voorbeeld een tas omvalt en het klotsend geluid en klinkend glas duidelijk maakt dat daar flessen drank inzitten. “De waarheid is wat in de bijbel staat, daar mag niet in geschrapt worden”, roept een jongen die steeds in zichzelf mompelt. Het 'Onze Vader' kent hij uit zijn hoofd.
De 'scene'
Amsterdam heeft voor de 7000 harddrugsverslaafden (de scene), die de stad telt, een speciale pastor, de enige in Nederland die volledig voor dit werk is vrijgesteld. De rooms-katholieke Ricus Dullaert werd vijf jaar geleden door de toen twee jaar bestaande taakgroep drugs en pastoraat voorgedragen aan de raad van kerken. Als reden voor het creëren van deze functie, gaf de taakgroep dat binnen de scene steeds meer behoefte aan individueel pastoraat ontstond. Mede door de opkomst van aids, zochten steeds meer verslaafden (inmiddels zijn ruim duizend drugsgebruikers in Amsterdam besmet met het hiv-virus) geestelijke ondersteuning. Dullaert wordt ondersteund door de taakgroep drugs en pastoraat die bestaat uit acht mensen. Verder werkt hij samen met twaalf vieringsmedewerkers. Hij wordt betaald door de Gereformeerde kerken in Nederland.
Koffie, warmte en niet weggejaagd worden zijn de eerste redenen waarom drugsgebruikers de zondagsviering bezoeken, niet het Woord Gods. Daar maakt de pastor zich geen illusies over. Maar na verloop van tijd groeit bij een aantal van de bezoekers, volgens hem, wel een zekere betrokkenheid. Zij vinden: het is onze kerk. Dullaert begint de viering met 'nieuws uit de scene'. Hij doet verslag van zijn bezoeken aan gebruikers in de gevangenis en in het ziekenhuis. Vaak moet hij vertellen dat er iemand gestorven is aan aids; zeker een keer in de twee weken heeft de pastor een begrafenis. Zoals Dullaert in het midden van de crypte staat, ietwat slungelig, met jeans, kortgeschoren haar, en grote bergschoenen, is hij niet direct te vangen als pastor. Hij is ook niet alleen voorganger blijkt later, hij is ook antiquair. Dat vindt hij een welkome afwisseling; je ziet alles even vanuit een ander perspectief. Zijn taalgebruik is direct en net als de bezoekers noemt hij de dingen bij hun naam.
Hoop
De pastor leest voor uit de bijbel over de drie koningen die een ster volgen. “Hoop”, noemt Ricus de ster die de drie koningen volgen, bij de uitleg. “Ik wil jullie wat laten horen”. Uit de cassetterecorder schalt muziek. 'Ik zie een ster, hij staat nog ver./ Maar strakjes komt hij dichterbij./ Ik zie een lach, een lieve lach./ Die is alleen bestemd voor mij.'
De slapenden tegen de muur veren op en schallen mee wanneer ze de oude hit herkennen. Ricus: “Wanneer je een ster zoekt, lijkt tegelijk het kwaad boven te komen dat je van je doel afhoudt.”
Drugsgebruiker Thomas na de viering: “Die kerk geeft een stukje rust. Een kopje koffie, een stukje krentenbrood. Je hebt bewegingsvrijheid en bent niet verplicht alles aan te horen. Er gaat ook veel aan me voorbij. Over die drie koningen, ik heb er mijn eigen gedachten over. Ik zie een ster... hij staat heel ver, ja. Ha, ha... De kern waar het geloof om draait, daar geloof ik wel in. Je bent een zoon of dochter van God. Het maakt niet uit hoe of wat je bent. Als je maar iemand recht in z'n ogen durft te kijken. Dat vind ik heel belangrijk. Ik doe het vrijwel altijd. Waarom niet? Ik heb niets te verbergen. Iedereen maakt fouten, ik ook, Ricus ook. Tijdens een viering leer je mensen van een andere kant kennen. Je kent ze alleen van het scoren. Sommigen die op straat heel groot zijn, worden hier heel klein en sommigen worden hier juist heel groot omdat ze durven te praten. Ik observeer die dingen. Ik heb mensen gezien die toen ze hier net kwamen niets zeiden en nu meedoen aan de discussie.”
“Ik ga nooit echt met normale mensen om. Dat vind ik kostbare momenten als ik hier ben en ik praat bij voorbeeld met Ricus. Je dag is een beetje opgekalefaterd. Maar er zijn ook mensen die net zo depri weggaan. Want buiten is het altijd hetzelfde. Een uur normaal zijn helpt niet. Op straat leef je als een rat, je slaapt en bent op eten uit.”
Volgens Ricus Dullaert zijn drugsgebruikers kampioenen om de kern van het leven te raken en alle buitenkant er af te schaven. “Ze hebben vaak veel nagedacht: waarom zijn wij op de wereld, wat gebeurt er na de dood. Meer dan andere leeftijdgenoten worden zij geconfronteerd met de tijdelijkheid van het leven.” Hij gaat verder: “Soms zijn de drugsgebruikers té open. Een paar weken geleden wapperde een meisje dat met het hiv-virus besmet is, tijdens een viering bijna trots met haar euthanasieverklaring en vertelde openlijk waarom ze dat wil.”
Volgens de pastor is bidden in zowel de viering als in het individueel drugspastoraat essentieel. “Tijdens het gebed in de viering zorgen de drugsgebruikers er voor dat het doodstil is. Als er wel gepraat wordt, corrigeren anderen.” En: “Ik heb zeer sterke ervaringen met bidden, vraag altijd bij het individueel pastoraat: stel je er prijs op als ik met je bid? Ik houd dan de handen vast. Het gebed raakt hen vaak heel diep en gaat door alle religies of geen religies heen. Er zijn mensen bij wie er daardoor iets in gang wordt gezet, een jongen heeft naar aanleiding van zo'n gebed zich later bij ons laten dopen.” Bekering is echter geen doel van het drugspastoraat. Verslaafden laten afkicken evenmin. “Wij nemen iedereen zoals-ie is.”
Ricus houdt iedere dinsdag- en vrijdagmiddag van twee tot vier uur spreekuur in het gebouw van Blaka Watra, opvangcentrum voor Surinaamse drugsverslaafden, achter het Centraal Station. Zijn spreekuur is open voor drugsverslaafden van alle nationaliteiten. Op zo'n middag kloppen er zo'n 10 à 15 gebruikers bij de pastor aan. Ze bevinden zich vaak in een crisissituatie: zijn op straat gezet, zitten in geldnood of hebben gehoord dat zij seropositief zijn of hebben een verbroken relatie.
Vandaag maakt al om 12 uur een klant zijn opwachting. Ricus is juist bezig telefonisch de laatste regelingen te treffen voor de crematie van een aidspatiënt voor de volgende dag, als de bel gaat. Ricus: “Die komt goddomme nu al op het spreekuur.” Hij laat de jongen binnen. “Het spreekuur begint om twee uur” zegt hij streng. “Ricus, ik wil een beroep op je doen.” De drugspastor zucht en zwicht onwillig. “Ik ben geschorst bij de post”. “Geschorst bij de post”, roept Ricus met overslaande stem. De jongen wil geld lenen voor medicijnen. “Ik word er knotsgek van”, roept Ricus. Als ik de crypte in kom lopen, schieten ze allemaal op me af om geld te lenen. Ik moet dat voorschieten uit mijn eigen zak. Vijfentwintig gulden, is dat genoeg?” Nee, dat is het niet. Briesend geeft de pastor hem vijftig gulden.
Agressie
Ricus zelf heeft al zijn energie nodig voor deze gesprekken. Immers, de drugsgebruikers lopen vaak op hun laatste reserves, zijn ontzettend prikkelbaar en hebben een een hoop agressie over de positie waarin ze verkeren. Dit wordt gevoed door het opgejaagd worden en is niet meteen over als iemand ze wel ontvangt. Toch dragen de drugsgebruikers de pastor op handen. Ricus staat onvoorwaardelijk achter hen. Hij bemiddelt met andere hulpverleningsinstanties, praat, luistert en bidt met mensen en trekt ook regelmatig zijn portemonnee.
Voor sommigen beheert hij de uitkering, omdat deze anders in drie dagen al is opgemaakt, op het spreekuur betaalt hij deze in gedeeltes uit. Hij weet hoe belangrijk geld voor hen is. Zo verzoekt hij de interviewer ook om de verslaafden een vergoeding te geven voor het praten. Een interview betekent voor hen immers dat zij een tijd niet achter hun geld aan kunnen gaan. Geld krijgt het drugspastoraat uit de pot van de bijkomende kosten van het pastoraat die wordt gevuld door kloosterorden en fondsen. Dit geld is voor zaken als treinkaartjes en attenties voor patiënten in het ziekenhuis. Maar drugsgebruikers geld lenen, is dat niet naïef? Ricus vertrouwt zijn 'klanten' tot het tegendeel bewezen is. Maar de taakgroep drugs en pastoraat is het met geld lenen kennelijk niet eens, getuige de paniek wanneer ze dit artikel van tevoren inzien: “Dat geld! Dat mag er niet in!”
De filosofie van het drugspastoraat is wel de drugsgebruiker zien als beeld van God, en daar vloeit uit voort dat je iemand als verantwoordelijk persoon aanspreekt. De werkgroep drugs en pastoraat doet voor de drugsgebruikers ook een beroep op het fonds Bijzondere noden van het stadhuis, laatste adres als de sociale dienst en de kredietbank niets meer voor hen wil doen, omdat ze al te hoge schulden hebben. Dit geld is voor zaken als woninginrichting. Bij het inkopen doen worden de drugsgebruikers vaak vergezeld door iemand van de pastoraatsgroep, ook zijn zij verplicht de bonnetjes van het gekochte te tonen.
Een door-de-weekse dag. Een van de dagen die Ricus gebruikt om drugsgebruikers, vaak met aids, in het ziekenhuis te bezoeken. Ton (28), grauw en mager, ligt op de afdeling infectieziekten in het Onze Lieve Vrouwe-gasthuis in Amsterdam. Hij zal morgen te horen krijgen of hij sero-positief is. Ricus geeft hem chocoladerepen, appelsientje en een ansichtkaart uit de crypte en krijgt een geleend tientje terug. Ton vertelt dat z'n moeder is geweest.
Ton en Ricus praten over de risico's die Ton heeft gelopen. Vanaf zijn 16de heeft hij wisselende homoseksuele contacten, maar hij heeft regelmatig een aidstest laten doen. Omdat een infectie in zijn mond niet overgaat wilden ze hem in het ziekenhuis weer testen. Hij gebruikt heroïne, maar wil minderen want hij koopt liever een horloge van dat geld. Hij lacht steeds als hij vertelt. Wil je dat ik met je bid? vraagt Ricus. “Eh, neeee”, weer dat lachje. Ricus gaat weg. Hij zegt: “Ik bid wel op de fiets voor je.”
Bidden
Ton zegt als de pastor weg is: “Dat doet-ie vaak, op de fiets bidden, ik hoorde het hem van de week nog zeggen.” Ton heeft een keer met Ricus gebeden, maar hij is het niet gewend en voelde zich daar vreemd onder en ongemakkelijk. Ton gelooft niet dat hij seropositief is, hij wacht morgen af. Maar: “Soms als ik depressief ben denk ik, was ik het maar.”
Hoe houdt drugspastor Dullaert deze baan, waarbij het leed nooit lijkt op te houden, vol? “Je houdt je niet bezig met 'getrut', het gaat om leven en dood. Als drugspastor moet je niet te veel van iemand verwachten. Het is onmogelijk drugspastor te zijn en alles op orde te hebben op de manier zoals jij wilt. Improviseren en weinig verwachten, dàn gebeurt er ontzettend veel.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.