*

 
dossier

Archief

'Tolerantie voor pedofilie in Nederland weldra voorbij'

JOOP BOUMA − 31/08/96, 00:00

STOCKHOLM - Tijd voor een paar nuanceringen, vindt Henk Hagen, politie-expert zedenzaken bij de Centrale recherche informatiedienst in Den Haag.

1: “Uit de criminele informatie die wij van Interpol en van onze eigen mensen in Azië en Zuid-Amerika krijgen, blijkt niet dat er door Nederlanders op grote schaal in andere landen commerciële seks met kinderen wordt bedreven”. 2: “Kinderporno wordt in Nederland geproduceerd, maar niet meer en niet minder dan in andere landen”. 3: De roep om nieuwe databanken met gegevens over seksuele delinquenten, is overbodig. Die databank is er al, bij Interpol”.

Hagen maakt lange dagen tijdens het wereldcongres tegen commerciële seksuele uitbuiting van kinderen in Stockholm. Parallel aan het congres vergadert de Interpol-werkgroep 'Misdrijven tegen minderjarigen'. Henk Hagen zit namens de Nederlandse politie in deze werkgroep. Tijdens het congres zit hij in panels om de Nederlandse zedenwetgeving uit te leggen aan vertegenwoordigers van 130 landen die tot vandaag in Stockholm vergaderen.

Hagen heeft zich verbaasd over de oproep van afgevaardigden uit enkele Europese landen, onder wie zijn eigen minister Sorgdrager, om het mandaat van Europol uit te breiden met opsporing en registratie van Europese netwerken van kinderporno. België, Nederland, enkele Europarlementariërs en sinds vandaag ook de kinderrechtenorganisatie ChildRight pleiten voor het oprichten van een Europese databank.

“Interpol heeft een wereldwijd register van vermiste kinderen en een databank met personen die veroordeeld zijn voor kinderporno en pedo-seksualiteit. Daarom lijkt het mij niet zo zinnig nu ook Europol zo'n taak te geven. Interpol bestaat sinds de jaren twintig en heeft een prima reputatie.

Het congres biedt Hagen niet zoveel nieuws. Hij is sinds 1990 belast met de portefeuille seksuele delicten, hij weet zo langzamerhand wat er speelt. “Het nieuws ligt voor mij in de wandelgangen. Ik kan hier contacten leggen met organisaties in landen als Thailand, de Filippijnen en Brazilië, die me mogelijk op termijn tips kunnen doorspelen”.

Hij ziet het congres als een belangrijke bijdrage in de bewustwording van het probleem kinderseks. Het stoort hem een beetje dat de media-aandacht voor het congres in Stockholm een belangrijke impuls kreeg door de recente gebeurtenissen in België.

“Dit is een persoonlijke mening, hoor, maar die overweldigende media-aandacht heeft toch iets hypocriets. Nu er in een Europees land twee kinderen zijn omgekomen, is er plots buitengewone aandacht voor een probleem dat al jaren en jaren bestaat. Er sterven dagelijks kinderen in Azië en Latijns-Amerika door seksuele mishandeling. Straatkinderen in Rio. Daar kraait geen haan naar. Het zegt wel iets over ons. Zolang het ver van ons bed is, maken we ons niet al te druk. Het zou ons sieren als we aan onze inspanningen voor misdrijven tegen de menselijke integriteit nu net zo'n prioriteit zouden geven als aan fraude en diefstal.”

Hagen denkt dat door het congres en door de zedenzaak in België ook in Nederland de betrekkelijk tolerante houding jegens pedofielen zal veranderen. “In Nederland is pedofilie altijd bespreekbaar geweest. Ik heb er geen moeite mee, hoewel ik pedofilie afkeur. Ik ben er zeker van dat de pedofilie in Nederland in het gedrang komt. Er is, dat blijkt ook tijdens dit congres, weinig begrip of sympathie voor pedofielen. Alle seksuele uitwassen worden hier op één hoop gegooid. Alles is pedofilie.”

Hagen vindt dat het onderwerp seksueel kindermisbruik vooral genuanceerd moet worden behandeld. “Nederland heeft twee politie-officieren in Bangkok die nauwlettend volgen wat er gebeurt op het gebied van kinderporno, pedofilie en vrouwenhandel. Het aantal gevallen waarin er in Zuidoost-Azië Nederlanders genoemd worden, is op de vingers van twee handen te tellen. Ieder geval is er één te veel, maar we moeten het wel in de juiste proporties zien.”

mailIcon print |